België zet in op D4D

Alice Kabongo & Koen Van Acoleyen
01 december 2016
België zet met zijn beleid volop in op digitalisering als hefboom voor ontwikkeling. Hieronder de krachtlijnen van deze strategie.

Internet en digitale technologie zijn niet meer weg te denken uit het dagelijks leven, niet alleen bij ons, maar overal ter wereld. Bovendien gaat de digitale revolutie almaar sneller. Zo zal naar verwachting 50 procent van de Afrikaanse bevolking tegen 2025 toegang hebben tot internet. Vandaag is dat slechts 16 procent. Om die reden voert de Belgische Ontwikkelingssamenwerking, onder impuls van minister Alexander De Croo, een beleid dat digitalisering wil inzetten als hefboom voor ontwikkeling.

In dit beleid, dat de naam ‘Digitalisering voor Ontwikkeling’ (‘Digital for Development’, D4D) kreeg, is digitalisering geen doel op zich, maar een middel om betere resultaten te behalen en zoveel mogelijk mensen een beter perspectief te bieden. Bovendien zal digitalisering de humanitaire hulp en de Belgische Ontwikkelingssamenwerking onmiskenbaar veranderen en zo de Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen (SDG’s) dichterbij brenge. In de eerste plaats wordt beoogd de verschillende spelers op het terrein met elkaar in contact te brengen om kennis uit te wisselen en nieuwe vormen van samenwerking te stimuleren. Dat alles berust op twee overkoepelende principes: ‘Putting people first’ (de mensen eerst) en ‘Do no harm’ (geen schade berokkenen).

 

Het Belgische beleid beschouwt digitalisering niet als een doel op zich, maar als een middel om betere resultaten te hehalen.

Het beleid ‘Digitalisering voor Ontwikkeling’ spitst zich toe op de volgende prioriteiten:

Beter gebruik van data afkomstig uit zowel nieuwe als traditionele bronnen. Data zijn essentieel om een ontwikkelingsinterventie op te zetten en op te volgen. Daarnaast dienen ze om de voortgang van de SDG’s te beoordelen en zorgen ze ervoor dat burgers weten wat de overheid onderneemt. Ze spelen dus een cruciale rol bij ontwikkelingsinterventies. Daarom zal België investeren in het op punt stellen van instrumenten en beleidslijnen die nodig zijn om nuttige informatie te verzamelen op basis van grote hoeveelheden ‘real-time’ data (data die onmiddellijk beschikbaar zijn). Evenveel aandacht zal gaan naar ‘open data’ - data die voor het grote publiek toegankelijk zijn - om een positief effect te creëren voor goed bestuur, humanitaire hulp en ontwikkelingssamenwerking, het beheer van natuurlijke hulpbronnen en rampenbeheersing.

Digitalisering voor inclusieve samenlevingen: België wil digitalisering ook inzetten om enerzijds het aantal begunstigden van een interventie te verhogen en anderzijds de belemmeringen voor de kwetsbaarste groepen weg te nemen, zodat ze democratische rechten kunnen genieten, toegang hebben tot basisdiensten zoals onderwijs en gezondheidszorg, kunnen deelnemen aan het openbaar leven en zich financieel en economisch in de maatschappij kunnen integreren.

Digitalisering voor economische groei: het staat inmiddels vast dat digitalisering een belangrijke bron van nieuwe banen, groei en welvaart is. Daarom zal ons land interventies ondersteunen die van digitalisering een motor maken van werkgelegenheid en maatschappelijk verantwoord ondernemen.

Toch is het belangrijk dit beleid aan te vullen met bestaande ‘offline’ strategieën, dus buiten internet om. Hoewel sommige maatschappelijke organisaties online platformen of groepen op sociale media hebben, blijven flyers cruciaal om hun activiteiten bij het grote publiek bekend te maken. Soms leveren pogingen om doelgroepen te bereiken via de nieuwe technologieën geen resultaat op. Een project in Tanzania wilde bijvoorbeeld de mening van landbouwers over hun watervoorziening kennen, maar het werd stopgezet: slechts 53 landbouwers hadden per sms geantwoord. Digitalisering alleen volstaat dus niet om alle problemen op te lossen. Het is een belangrijk instrument, maar zeker niet het enige.

De uitvoering van het beleid zal grotendeels afhangen van de lokale context. Er is nood aan aangepaste instrumenten zoals mobiele telefonie, digitale identiteitskaarten, sociale media, geografische informatiesystemen en sensoren. Sommige basisvoorzieningen zijn onmisbaar: IT-infrastructuur en elektriciteit, mensen die deze technologieën kunnen gebruiken en beheren, een gunstig regelgevend kader en een goed werkende overheid. Waar zulke voorzieningen ontbreken, zal België zijn strategie aanpassen of ervoor zorgen dat ze er komen.

Opdat de maatregelen ook op lange termijn effect zouden hebben, moet de lokale bevolking zelfstandig leren werken met deze instrumenten. Daartoe is kennisoverdracht noodzakelijk en moeten we ook oog hebben voor de milieueffecten van deze nieuwe technologieën.

Aan ‘Digitalisering voor Ontwikkeling’ zijn echter risico’s verbonden die moeten worden beheerst. Enerzijds zijn er de haalbaarheidsrisico’s, zoals belemmeringen bij het gebruik van digitale apparatuur en moeilijke toegang tot data. Anderzijds zijn er de meer-kwaad-dan-goed-risico’s. Het gaat om de impact die het gebruik van digitale technologieën kan hebben op de rechten van gebruikers: inbreuk op het privéleven of de veiligheid, verhoogd risico op blootstelling aan cybercriminaliteit en zo meer.

Het D4D-beleid zal worden uitgevoerd door de actoren van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking, maar dan wel met de hulp van internationale partners zoals multilaterale organisaties, de Europese Commissie en de andere EU-lidstaten, en van partners uit de lokale en internationale privésector. Vooral de privésector speelt een fundamentele rol in de digitale ontwikkeling.

De Belgische Ontwikkelingssamenwerking wil de nieuwe technologieën gebruiken om haar maatregelen doeltreffender te maken en de meest kwetsbaren beter te helpen.

 

Digitalisering Belgische Ontwikkelingssamenwerking D4D
Terug Economie
Imprimer