EPA’s: moeizaam pad naar handelsovereenkomsten

Anne-Marie Mouradian
01 april 2013
In 2002 begonnen tussen de Europese Unie en 79 landen in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan (ACP) onderhandelingen over economische handelsovereenkomsten. Bedoeling was om in januari 2008 vrijhandelszones op te richten tussen de EU en de zeven regionale groepen die samen de ACP-landen vormen. Maar de landen uit het Zuiden vinden dat deze marktopening hun nationale belangen niet behartigen. Nu, vijf jaar later, hebben de onderhandelingen flink wat vertraging opgelopen en blijken ze nog altijd een punt van controverse.

Waarom EPA’s?

De bevoorrechte betrekkingen tussen de EU en de ACP-landen gaan terug tot de begindagen van de Europese gemeenschap. De EPA’s zijn het handelsgedeelte van de Overeenkomst van Cotonou die in 2000 in de plaats kwam van de Lomé-verdragen. In de overeenkomsten is ook aandacht voor ontwikkeling en armoedebestrijding.

Het handelsstelsel van Lomé was gestoeld op ‘niet-wederkerige handelspreferenties’ voor de landen van Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan. Deze landen mochten meer dan 95% van hun producten vrij van douanerechten uitvoeren naar de Europese markt maar mochten wel invoerrechten heffen op producten uit Europa. Maar dat stelsel had niet het verhoopte hefboomeffect en kon zelfs niet verhinderen dat de ACP-economieën zwaar terrein verloren op de wereldmarkt. Bovendien dienden landen van Latijns-Amerika en Azië klacht in bij de Wereldhandelsorganisatie WTO omdat ze de handelspreferenties concurrentievervalsend vonden. Met de vrijmaking van de wereldhandel viel het doek definitief over het handelsstelsel van Lomé. Om te voldoen aan de WTO-voorschriften startte de EU daarop de EPA’s op.

Protesterende mensen voor ingang EU-gebouw
© 11.11.11

Kansen en uitdagingen

Met de EPA’s is de tijd gekomen om de betrekkingen tussen Europa en de ACP-landen een andere wending te geven, vooral ook nu Afrika uitkijkt naar andere handelspartners en China zijn aanwezigheid op het Afrikaanse continent stevig verankert. De overeenkomsten zorgen voor een betere toegang van de export uit Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan naar de EU en voor het eerst doet het wederkerigheidsbeginsel zijn intrede. Voortaan moeten ook de ACP-landen hun tarieven ontmantelen en hun markten openstellen voor Europese producten. Vrijhandelszones staan garant voor regionale integratie, meer investeringen en groei en de betrokken landen veroveren, op termijn, een plaats in de wereldeconomie. Alleen werd van in het begin veel weerwerk geboden door politieke gezagsdragers en organisaties uit de civiele samenleving van de ACP-landen die daarbij de steun kregen van Europese ngo’s. Afrikaanse boerenverenigingen waaronder ROPPA (Réseau des Organisations paysannes et des producteurs d’Afrique de l’Ouest) riepen op tot betogingen tegen de EPA’s omdat ze daarin geen motor voor ontwikkeling zagen.

De ACP-landen vrezen vooral dat zij inkomsten zullen verliezen door de lagere douanerechten. Verder menen zij dat de nog jonge Afrikaanse producenten het niet kunnen opnemen tegen de meer concurrerende Europese producten. Sommigen gaan zelfs zo ver om de EPA’s te zien als de oorzaak van de vernietiging van productieketens, het failliet van de kleine landbouw en de verarming van de plattelandsbevolking.

De EU wil best oor hebben naar de rechtmatige bekommernis van de partnerlanden maar tegelijk wil ze komaf maken met misvattingen en onterechte vrees. "Het is zeker niet de bedoeling dat we de markten van Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan laten overrompelen door horden Europese exporteurs die kwijlend in de startblokken staan... We willen er zeker van zijn dat de liberalisering van de handel de ontwikkeling van deze landen echt ten goede komt", aldus Pascal Lamy in 2002, toenmalig Europees commissaris voor Handel. (1)

De WTO wou de EPA’s in januari 2008 in werking zien treden, op straffe van sanctie. Maar de EU haalde die datum niet, althans niet voor volledige overeenkomsten. Daarom stelde ze tijdelijke overeenkomsten voor waardoor de partnerlanden de vrije toegang tot de Europese markt behielden. Intussen kon verder worden onderhandeld over alomvattende EPA’s.

 

Mensen protesteren tegen de EPA's
© 11.11.11

De groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan is een intergouvernementele organisatie die in 1975 werd opgericht ingevolge de Overeenkomst van Georgetown. De instanties zijn: de Top van ACP-staatshoofden, de Raad van ministers, het Comité van ambassadeurs en het in Brussel gevestigde secretariaat.

De aanvankelijke opdracht was de samenwerkingsovereenkomsten met de Europese Gemeenschap te onderhandelen en uit te voeren. Gaandeweg werd het werkgebied van de organisatie ruimer. De groep bestaat weliswaar uit landen op drie continenten maar streeft toch naar een eensgezind en solidair standpunt ten aanzien van mondiale problemen. De organisatie telt 79 leden: de 48 landen van sub-Sahara Afrika, 16 landen uit het Caribisch gebied en 15 landen uit het gebied van de Stille Oceaan.

Manifestatie tegen de EPA's
© 11.11.11

Ingewikkeld proces

De EPA’s voorzien in een periode van geleidelijke liberalisering. Deze is gespreid in de tijd en verloopt asymmetrisch in die zin dat de ACP-landen minder zware inspanningen moeten leveren. De onderhandelingen gaan over gevoelige ACP-producten die buiten de overeenkomsten vallen, over de overgangsperiode (tussen 15 en 25 jaar) en over de begeleidende maatregelen. De Europese Unie zal het proces ondersteunen via regionale bijstandspakketten en uitgebreide ontwikkelingsprogramma’s (2), gefinancierd met bilaterale bijdragen van de lidstaten, waaronder België, en bijdragen van het Europees Ontwikkelingsfonds. De ernstige financiële crisis waar Europa nu onder gebukt gaat, doet natuurlijk de vraag rijzen of er voldoende middelen beschikbaar zijn.

Bovendien zijn de onderhandelingen niet eenvoudig omdat de ACP-landen als gesprekspartner een heterogene groep zijn die zelfs binnen eenzelfde regio van status verschillen. Zo hebben de minst ontwikkelde landen (MOL), die meer dan de helft van de ACP-landen uitmaken, belangen die verschillen van die van de andere landen. Want zij behouden hoe dan ook hun voordelige positie dankzij het initiatief 'Alles behalve wapens' waardoor ze sinds 2001 rechten- en quotavrij toegang hebben tot de Europese markt.

De meer ontwikkelde landen genieten deze voordelen niet. Als ze geen EPA met de EU tekenen, leveren ze in en komen ze alleen nog in aanmerking voor het minder voordelige stelsel van algemene preferenties.

 

EU-Commissaris Karel Van Gucht aan de onderhandelingstafel
© European Union

14 jaar onderhandelen

Tot op heden heeft alleen het Caribisch gebied een alomvattende EPA met de EU getekend (2008). Een aantal landen tekenden tussentijdse overeenkomsten, met name Ivoorkust en Ghana (West-Afrika), Kameroen (Centraal-Afrika), Mauritius, de Seychellen, Zimbabwe en Madagascar (Oost- en Zuidelijk Afrika), Botswana, Lesotho, Swaziland en Mozambique (Ontwikkelingsgemeenschap van Zuidelijk Afrika), Papoua-Nieuw Guinea en Fiji (Stille Oceaan).

Met een groep landen, in hoofdzaak MOL, bestaat zelfs nog geen tussentijdse overeenkomst. Meer ontwikkelde staten die nog niet hebben getekend, zoals Kenia, staan onder druk, met Nigeria als opmerkelijke uitzondering, maar dat is dan ook een olie-exporterend land.

Om in orde te zijn met de regels van het WTO stelde de Europese commissie een nieuwe deadline voor. Landen die hun EPA niet goedkeuren tegen 1 januari 2014 hebben niet langer vrije toegang tot de EU-markt.

De ACP-landen wezen op het risico van een verdere marginalisering van hun positie maar Europees commissaris voor Handel Karel De Gucht ziet het optimistischer in: "Met voldoende politieke wil, een consensus over de gemeenschappelijke belangen en een realistische inschatting van de verwachtingen van de partijen, kunnen we het goedkeuringsproces zo vlug mogelijk en zeker vóór 2014 voltooien." (3)  Het Europees parlement verschoof de streefdatum naar januari 2016. Dat is 14 jaar na het begin van de onderhandelingen. De secretaris-generaal van de ACP-groep, de Ghanees Mohamed Ibn Chambas verwoordt het als volgt: "Deze extra termijn van twee jaar is een kans om in een serener onderhandelingsklimaat te werken en zo beslissingen te nemen die voor alle partijen billijk en voordelig zijn." (4)

(1) RFI 27/09/2002

(2) PAPED: Programmes APE pour le Développement -  ACP-ontwikkelingsprogramma’s

(3) Bron: Europese Commissie

(4) Bron: Secretariaat ACP

Het Verdrag van Rome tot oprichting van de Europese Economische Gemeenschap (1957) verleent de Franse en Belgische kolonies in Afrika de status van geassocieerde Staten.

Na de dekolonisatie ontstaat krachtens de Overeenkomsten van Yaoundé (1963-1975) een associatie tussen de EEG en een aantal Franstalige Afrikaanse landen. Later vormen zij samen met Commonwealth-landen en voormalige Britse kolonies, de groep van ACP-landen.

In 1975 legt de Overeenkomst van Lomé de basis voor vernieuwende samenwerking. De Overeenkomst werd het schoolvoorbeeld van Noord-Zuidpartnerschap dat voor de ACP-landen het pad zou effenen voor een bevoorrechte toegang tot de Europese markt en substantiële ontwikkelingshulp en dat ruimte schiep voor politieke dialoog.

In 2000 maakt Lomé plaats voor de Overeenkomst van Cotonou dat via Economische Partnerschapsakkoorden de ACP-landen tegen 2020 wil helpen aansluiten bij de wereldeconomie.

Europese Unie ACP
Terug naar dossier
Imprimer
In dezelfde categorie - Artikel 39 /38 Kleine producenten, superchocolade