Het Zuiden doet het anders. De win-win van Zuid-Zuidsamenwerking.

Chris Simoens
01 december 2014
Opkomende landen werken steeds vaker samen met andere landen uit het Zuiden. Welke rol speelt deze Zuid-Zuidsamenwerking bij de ontwikkeling van het Zuiden? We gingen te rade bij Dr. San Bilal van het European Centre for Development Policy and Management.

Zuid-Zuidsamenwerking – ZZS verder in het artikel - is geen recent fenomeen. In feite zijn er al diverse voorbeelden sinds WOII. Belangrijk was de ‘non-aligned movement’ die in 1961 werd opgericht door onder andere Nehru (India) en Nasser (Egypte). Deze niet-gebonden landen wilden de eigen stem van het Zuiden laten horen tijdens de Koude Oorlog, los van het toenmalige Westen en Oostblok. Ook de Verenigde Naties hebben ZZS via diverse structuren aangemoedigd, onder meer met de VN-Conferentie voor Handel en Ontwikkeling UNCTAD.


Geen hulp

ZZS heeft de laatste 10 jaar een boom gekend dankzij de opkomst van landen zoals China, Brazilië en India. ‘Het Westen beschouwt hen als donoren’, zegt Dr. Bilal. ‘Maar bij ZZS ontbreekt de notie van ‘hulp’ volledig. De opkomende landen denken bij hun samenwerking veeleer aan hun eigen economische belangen, zodanig dat die bijdraagt aan de ontwikkeling van de partnerlanden. ‘Wat goed is voor mijn economie is ook goed voor de jouwe’. In vergelijking met de Noord-Zuidsamenwerking (NZS) heerst er bij ZZS meer een relatie van gelijken die een wederzijds voordeel zoeken. Via uitwisseling van kennis en technologie, investeringen, leningen en ook wel giften, maar in beperkte mate. Het betreft meestal bilaterale deals, van land tot land dus.’

 

China, Brazilië, India …

Vooral de deals van China in Afrika zijn gekend. In ruil voor grondstoffen investeert China er in infrastructuur (wegen …), landbouw, gezondheidszorg en onderwijs (universiteiten). De Afrikaanse landen zijn over het algemeen best opgezet met deze vorm van samenwerking. Want in tegenstelling tot de Westerse ontwikkelingssamenwerking verloopt alles heel snel. Er zijn immers veel minder regels en bureaucratie, en er worden minder eisen gesteld rond mensenrechten. ‘Positief is in elk geval dat de armere landen nu een keuze hebben en dat er competitie optreedt,’ vindt Bilal.

De ZZS van India en Brazilië wordt sterk gedreven door de private sector. India investeert in spoorwegen, mijnen, diensten en ook wel wat in industrie (auto’s). Brazilië is vooral actief in de landbouw en in mijnen. De ZZS van Turkije groeit snel en is zeer sterk gericht op business-opportuniteiten. De Golfstaten leggen zich toe op de Hoorn van Afrika, met investeringen, het vlotter maken van handel, islamitische banken en zo meer. Ten slotte doen ook Maleisië, Indonesië, Mexico, Zuid-Korea en andere landen aan ZZS.

 

Kritiek in Afrika

Al bij al zijn de opkomende landen welkome nieuwe spelers die de ontwikkeling van armere landen kunnen stimuleren. Maar niet alles is peis en vree. Zo zijn de Afrikaanse landen niet altijd tevreden. De wegen die de Chinezen aanleggen blijken dikwijls van bedenkelijke kwaliteit. Bovendien komt China vaak met zijn eigen werkers en producten, zodat er nauwelijks capaciteitsopbouw is en ook de lokale economie er weinig aan heeft. Als er al lokale arbeiders zijn, worden ze vaak weinig betaald. Van het mooie win-win-discours van ZZS komt dus niet altijd veel terecht.

 

OESO-DAC

Westerse donoren – verenigd in het Ontwikkelingscomité (DAC) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) - zijn vooral bezorgd dat de opkomende landen dezelfde fouten zullen begaan als zijzelf vroeger: wegen aanleggen zonder aan het onderhoud te denken, fabrieken bouwen zonder dat er ter plaatse echt iemand voor verantwoordelijk is. En zullen de leningen de schulden niet weer doen aanzwellen?

OESO-DAC doet er dan ook alles aan om de zogenaamde nieuwe donoren aan hun kant te krijgen, zeker nu het debat rond de post-2015-Millenniumdoelen volop woedt. De OESO-DAC-landen hebben immers met vallen en opstaan geleerd. Daaruit zijn good aid practices gegroeid die onder meer geformuleerd werden in de Verklaring van Parijs in 2005. Sindsdien wordt gestreefd naar eigenaarschap, afstemming op het beleid van het partnerland en zo meer.

 

 

Chinezen actief in Afrika
© mato48-wordpress

Terughoudend

Maar de opkomende landen staan niet te springen om zich bij de club van donoren aan te sluiten. Ze vinden het discours te ideologisch beladen. Daarom heeft OESO-DAC het Global Partnership for Effective Cooperation opgericht, dat onlangs in Mexico – lid van OESO-DAC - vele spelers bijeenbracht. Ook Zuid-Korea doet inspanningen om als brug te fungeren, maar de terughoudendheid blijft (Dimensie 3, 3-2013). Bilal: ‘VN-ambtenaren beweren wel dat de opkomende landen bijna aan boord zijn, maar in de praktijk merk ik daar nauwelijks iets van.’

China wijzigde alvast enigszins zijn beleid. Zo experimenteert het met giften. En onlangs besliste het land om samen met de Afrikaanse Ontwikkelingsbank 2 miljard dollar te investeren in het ‘Africa Growing Together Fund’, een meer ‘multilaterale’ aanpak dus. Er komt ook een BRICS-bank. Toch bestaat het gros van de Chinese ZZS nog steeds uit deals van land tot land.

 

Hulp geen vertrekpunt

‘Het Westen wil al te zeer alle vormen van samenwerking in het keurslijf van ‘ontwikkelingshulp’ wringen. Maar de realiteit is veranderd! Hulp zou niet meer het vertrekpunt mogen zijn, het is slechts één van de instrumenten binnen een brede waaier (met onder meer handel, investeringen, remittances…). Toch blijven de Westerse donoren uitgaan van de vraag: hoe kunnen mijn giften een katalysator zijn voor ontwikkeling? Oké, dat gaat nog op voor de fragiele en de minst ontwikkelde landen. Maar voor de meeste andere landen zou de vraagstelling moeten zijn: hoe kunnen we economieën creëren die meer rijkdom voortbrengen voor iedereen? Of gezien vanuit het standpunt van een land in het Zuiden: hoe kan ik mijn economie transformeren en welke partners zijn daarvoor interessant? En die partners mogen van gelijk waar komen, Noord of Zuid, West of Oost. Het kan gerust een ‘triangulaire’ NZZ-samenwerking zijn, of beter nog een ‘vierkante’ NNZZ’.

Volgens OESO-DAC zou het aandeel van ZZS in de officiële ontwikkelingshulp (‘ODA’) 10 à 15% bedragen. Maar omdat er bij ZZS wederzijds belang meespeelt en het niet strikt draait rond hulp, is het niet evident om het als ODA uit te drukken. Ook de juiste impact op armoedebestrijding blijft moeilijk te meten.

 

Enlightened self-interest

Toch komen er scheurtjes in het traditionele ontwikkelingsdiscours van het Noorden. Zo stelt Nederland expliciet dat enlightened self-interest mogelijk is: ‘We geven hulp aan de armere landen, maar met de beter ontwikkelde landen kunnen we handel drijven en onze eigen zakenbelangen laten spelen.’ Ook de Britten en de Denen spreken al in die zin.

‘En hoe scherp is het onderscheid tussen Noord en Zuid nog? Landen als Zuid-Korea en Mexico doen het vrij goed, ook al hebben ze intern nog veel armoede. Anderzijds bevinden zich in het ‘Noorden’ landen als Griekenland en Portugal. Portugezen migreren naar Angola en Angola investeert in Portugal.’ Kortom, de scheiding tussen Noord en Zuid wordt wat minder scherp.

Deze evoluties tonen aan dat het Noorden zijn relatie met het Zuiden moet herzien. Want deze is nog te veel gebaseerd op afhankelijkheid, vindt Bilal.

Zo blijft Europa sterk gefocust op de problemen in Afrika en op hoe het met ontwikkelingsgeld kan helpen, terwijl er een boeiende dynamiek aan de gang is. ‘Een land als Turkije ziet de business-opportuniteiten wel. Als de NZS echt wil bloeien, moet ze stoelen op een open relatie met respect voor ieders belangen en prioriteiten, waarbinnen men samen naar (innovatieve) oplossingen zoekt.’

 

Meer weten?

What is the rise of South-South relations about? - Development, not aid (San Bilal) - MO*-paper op www.mo.be

Zuid-Zuidsamenwerking
Terug naar dossier
Imprimer
In dezelfde categorie - Artikel 26 /30 Van zakat tot internationale NGO