Ngo’s in België: Van kleine privé-initiatieven tot solidaire partners

Chris Simoens
01 april 2012
Velen onder ons hebben al gehoord over de acties van Artsen zonder Grenzen in conflictgebieden. Of misschien hielp je mee geld inzamelen voor Vredeseilanden of 11.11.11. En kocht je stiften van de Damiaanactie. Sommige zogenaamde ‘niet-gouvernementele organisaties’ zijn ons niet onbekend. Maar waar staan ze voor anno 2012 en hoe verhouden ze zich tot de overhead?

DE OORSPRONG

De eerste niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) ontstonden in de 19de eeuw. Zo richtte de Zwitser Henri Dunant in 1863 het Rode Kruis op om de gewonden op slagvelden te verzorgen. Andere organisaties ijverden voor de afschaffing van de slavernij of verdedigden de rechten van arbeiders en vrouwen. In 1945 lanceerden de Verenigde Naties de term ‘niet-gouvernementele organisatie’. Ze wilden hiermee een onderscheid maken met internationale organisaties zoals de Internationale Arbeidsorganisatie (ILO), die via overeenkomsten tussen staten opgericht werden. Ngo’s ontstaan immers los van internationale verdragen.

Ontwikkelingsngo’s in België

Natuurlijk zijn er in België ook ngo’s die zich inzetten voor de minderbedeelden van bij ons. Denk maar aan de Voedselbanken en Spullenhulp. (Les petits riens, en Wallonie) Maar we beperken ons hier tot de ngo’s die zich inzetten voor het Zuiden, de zogenaamde ontwikkelingsngo’s.

Hun voorlopers ontstonden in de jaren 1930 in universitaire en katholieke kringen. Het waren liefdadigheidsbewegingen die in de kolonies hulp verleenden in de ziekenzorg, het onderwijs, de administratie… Toch duurde het tot na WOII eer ontwikkelingssamenwerking echt in zwang kwam, gedurende de dekolonisatie en de Koude Oorlog.

De eerste ngo’s sloten nauw aan bij de verzuilde samenleving van toen. Zo riepen de Belgische bisschoppen in 1961 op tot solidariteit met de hongerlijdenden in Kasai (DR Congo). Daaruit kwamen de jaarlijkse vastenacties voort van Broederlijk Delen. De socialisten richtten hun Socialistische Solidariteit op (Solidarité Socialiste) en ook de liberalen hadden hun ontwikkelingsorganisaties.

Maar de jaren 1960 zijn ook de jaren van make love, not war. Jongeren protesteerden tegen het establishment en kwamen op voor vrijheid, vrede en menselijke waarden. Los van de zuilen waren ze verontwaardigd over de grote kloof tussen Noord en Zuid. Uit deze derdewereldbeweging groeiden meer politiek geïnspireerde ngo’s. Ze verwierpen het Westers economisch systeem dat het Zuiden in de kou laat. Het publiek bewust maken werd één van hun kerntaken. Liefdadigheid volstond niet. Ontwikkeling is immers een complex proces dat nauw verweven is met economie, cultuur en politiek. Een typisch voorbeeld zijn de Wereldwinkels, waarvan de eerste in 1971 de deuren opende. Nog in de jaren 1960 organiseert 11.11.11 de eerste nationale campagne om het publiek te sensibiliseren, druk uit te oefenen op de politici en fondsen te werven.

Later ziet weer een ander soort ngo’s het licht dat zich minder ideologisch opstelt. Zij wilden vooral technische bijstand leveren, liefst ‘zonder grenzen’. Typische voorbeelden zijn Artsen zonder Grenzen (1971), Dierenartsen zonder Grenzen (1984 in Frankrijk, 1994 in België) en Memisa (1988).

Ngo’s in België: Van kleine privé-initiatieven tot solidaire partners
© DGD / Chris Simoens

EVOLUTIE VAN DE WERKING

Paternalistisch

Ontwikkelingssamenwerking is een zeer complex leerproces. In de loop der jaren is ze dan ook sterk geëvolueerd. Aanvankelijk was de visie nogal ‘paternalistisch’: wij, de rijke landen, weten wat goed is voor de arme landen en leveren daarvoor geld en kennis. Het Noorden bouwde scholen, ziekenhuizen, wegen, havens en waterputten. Lesgevers, ingenieurs, landbouwkundigen… – vaak pas afgestudeerde vrijwilligers – werden uitgestuurd en voerden de talloze aparte projecten uit.

Maar deze benadering werkte niet altijd. Eenmaal de deskundigen weer huiswaarts trokken, werd het proper schooltje niet meer gebruikt. De keurige waterput raakte kapot en werd nooit hersteld. Waarom? Onder meer omdat niemand zich verantwoordelijk voelde voor het project en omdat men niet voorzien had wie de lonen zou betalen van de leraren nadat het project was beëindigd.

Het Zuiden aan het stuur

Geleidelijk groeide het besef dat ontwikkelingsamenwerking betere resultaten boekt als de mensen in het Zuiden hun eigen ontwikkeling in handen nemen. Zijzelf dienen de projecten uit te voeren en te voorzien hoe ze zullen voortdoen als de geldkraan toegaat. Er kwam immers stilaan voldoende expertise voorhanden ter plaatse.

Vandaar dat onze ngo’s steeds minder mensen naar het Zuiden sturen. Het werk wordt uitgevoerd door plaatselijke mensen. Ngo’s geven alleen geld - in die mate dat de lokale ngo’s financieel niet al te afhankelijk worden - en delen hun expertise. Vandaag heeft het Zuiden geen nood meer aan onervaren vrijwilligers, het wil specialisten in branches waar er nog lacunes zijn. Ook in geval van rampen leveren onze ngo’s nog broodnodige diensten: noodhulp en heropbouw.

Wegen op beleid in Noord en Zuid

De ngo’s doen dus stilaan minder aan dienstverlening. De diensten die ze in de ontwikkelingslanden leveren - onderwijs, ziekenzorg… - vullen er immers de gebrekkige dienstverlening door de staat aan. Tegenwoordig wil de gouvernementele samenwerking – hulp van staat tot staat – precies de staat (en zijn ministeries) steunen om zelf voor een brede openbare dienstverlening in te staan. In deze visie speelt de civiele samenleving een onmisbare rol bij de democratische werking van de staat.

De ngo’s van bij ons versterken daartoe het weefsel van de civiele samenleving in het Zuiden: plaatselijke ngo’s, boerencoöperatieven en dergelijke. Zij moeten immers hun belangrijke rol van waakhond (beleidsbewaker) en pleitbezorger (beleidsbeïnvloeder) opnemen, opdat ze de rechten van de zwakken kunnen verdedigen bij hun eigen overheid. In het Noorden wegen de ngo’s vooral op het beleid van hún overheid. Onder meer om de coherentie met andere beleidsdomeinen zoals handel, milieu en energie aan te kaarten.

VERHOUDING MET DE OVERHEID

Vrijwilligersstatuut

Ngo’s zijn ontstaan als een privé-initiatief, los van de staat. Bijna altijd hebben ze het statuut van vzw, vereniging zonder winstoogmerk. Het motief was vaak mededogen of verontwaardiging. Ze steunden op een achterban van geëngageerde leden die actief meewerkten en geld inzamelden. Algauw begreep de Belgische regering – die zelf nog haar ontwikkelingssamenwerking moest uitvinden – dat ngo’s waardevol werk leverden. Daarom konden de vrijwilligers, werkzaam in een ontwikkelingsland, vanaf 1964 genieten van de sociale zekerheid.

Medefinanciering

Maar de meerwaarde van ngo’s gaat verder. Beter dan overheden hebben ze voeling met de minstbedeelden: ze kennen hun noden en weten hen te bereiken. Ze zijn sterk in mensen aanleren op te komen voor hun rechten. Bovendien zijn ze vrij neutraal. Ze kunnen aan de slag blijven in een ontwikkelingsland, ook als er onenigheid is tussen de regering van dat land en België, zoals in Zaïre tijdens de jaren 90. Daarom besliste België in 1976 – in navolging van Europa – dat ngo’s recht hebben op medefinanciering. Sindsdien ontvangen ngo’s een aanzienlijke tussenkomst van de Belgische overheid (zie kader). Dat gaf hen meer slagkracht. Ze werden immers minder afhankelijk van onzekere fondsenwerving.

DE DILEMMA’S

De geschetste evolutie heeft tot dilemma’s geleid.

Vervreemding van de achterban

Mensen zien graag concrete resultaten: een school, ziekenhuis of waterput. Maar ngo’s leggen zich steeds meer toe op beleidsbewaking en beleidsbeïnvloeding. Dat kunnen ze moeilijker aan hun publiek verkopen. Bovendien worden ngo’s meer en meer beheerd als kleine bedrijven. De mensen die er werken zijn meer technisch ingesteld, en minder militant dan in de begintijd. Daardoor vervreemden ngo’s geleidelijk van hun achterban. Behalve wat fondsenwerving hebben vrijwilligers weinig om handen. Geleidelijk komen er ‘schenkers’ voor in de plaats die met moderne marketing worden aangetrokken. Via nieuwsbrieven onderhoudt de ngo een eerder onpersoonlijke relatie met hen. Zo horen de schenkers over de activiteiten en worden ze aangemoedigd te blijven schenken. En dat heeft gevolgen.

1. 4de pijler

De ‘sociaal bewogen basis’ voelt zich wat verweesd. Ze doet liever iets concreet: face to face, creatief, leuk. Daarom ontstaan steeds meer privé-initiatieven, de zogenaamde vierde pijler. Alleen al in Vlaanderen zijn er meer dan 1100 (www.4depijler.be), in Franstalig België gebruikt men de term IPSI (Initiatives Populaires de Solidarité Internationale). Mensen reizen meer en via internet en facebook ligt de wereld letterlijk voor hen open. Zo komen ze persoonlijk in contact met het Zuiden. Ze bouwen een school, of sturen geneesmiddelen of muziekinstrumenten. Dat betekent dus opnieuw een werking met kleine, aparte projecten, een benadering waarvan vele ngo’s zijn afgestapt. Toch heeft de 4de pijler zijn nut. Ze hebben een nauw betrokken achterban waar mensen hun solidariteit actief kunnen invullen.

 

(3)	Vrouwen zitten samen rond tafel voor een workshop. Eén vrouw schrijft iets op een groot karton
© Vredeseilanden

De ngo’s zullen dus manieren moeten vinden om de nauwe band met de achterban te behouden

Definities

Een strakke definitie is niet mogelijk, we doen een poging.

Civiele samenleving

De civiele samenleving omvat alle organisaties waarin mensen zich verenigen om een gemeenschappelijk belang na te streven in de samenleving, en dit onafhankelijk van de staat en zonder winstgevende doeleinden. Daartoe behoren niet alleen de meer klassieke niet-gouvernementele organisaties, maar ook vakbonden, godsdienstige, sociale en culturele verenigingen, beroepsverenigingen, politieke groeperingen…

 

Niet-gouvernementele organisatie

Een private organisatie – ontstaan op vrijwillige basis, onafhankelijk van de staat en zonder winstgevende doeleinden – die opkomt voor het welzijn van bepaalde bevolkingsgroepen of de samenleving in zijn geheel. De motivatie is vaak de verontwaardiging over onrecht.

2. Transparantie

Het blinde vertrouwen in ngo’s is weg. Ze mogen dan al professionaliseren, blijft er toch niet te veel geld aan hun eigen werking kleven? Om het vertrouwen te behouden, geven de ngo’s vandaag hun cijfers bloot op www.ngo-openboek.be. Een goede verhouding met het publiek is essentieel omdat ngo’s afhankelijk zijn van schenkingen door dat publiek.

3. Verankering in de samenleving

Onze ngo’s dreigen hun sleuteleigenschap te verliezen: de diepe verankering in de samenleving, de voeling met de noden. Precies daardoor zijn ze een aantrekkelijke bondgenoot voor de overheid. De ngo’s zullen dus manieren moeten vinden om de nauwe band met de achterban te behouden. En net hetzelfde geldt voor ngo’s in het Zuiden.

Onafhankelijkheid van de overheid

Het is de taak van ngo’s om kritisch te staan tegenover hun overheid. Toch ontvangen ze aanzienlijke sommen geld van die overheid. Kunnen ze hun onafhankelijkheid bewaren?

Dat dilemma kwam sterk op de voorgrond met de Verklaring van Parijs in 2005. Dat is een overeenkomst, vooral tussen regeringen, om de hulp doeltreffender te maken. Kernpunt is dat de ontwikkelingslanden zelf hun ontwikkeling in handen nemen. De rijke landen moeten het aantal partnerlanden beperken en zich meer specialiseren. En de ontelbare ontwikkelingsorganisaties die nog te veel hun eigen ding doen, moeten veel meer samenwerken.

Niemand is tegen doeltreffende hulp. Maar ngo’s hebben altijd van hun initiatiefrecht genoten. Ze konden vrij kiezen waar ze werken, wat ze doen. Anderzijds is het de kerntaak van de overheid een degelijk beleid uit te stippelen en via subsidiëring de samenleving te sturen. Zijn beide te verzoenen?

Met vallen en opstaan zien we overheden en ngo’s uitgroeien tot solidaire partners met eenzelfde doel.

De rollen van de civiele samenleving

Waakhond

Beleid bewaken, beleid beïnvloeden en belangen verdedigen.

 

Bewustmaking

Burgers organiseren, sensibiliseren en leren opkomen voor hun rechten.

 

Dienstverlening

Diensten verlenen (onderwijs, gezondheidszorg…) als aanvulling op of ter vervanging van de staat. Sommige organisaties specialiseren zich in één of meer van deze rollen.

De Belgische overheid heeft altijd de onafhankelijkheid van de ngo’s erkend. Ze streeft er wel naar het aantal ngo’s te beperken en de kwaliteit van hun werking te verhogen (‘professionalisering’). Met de Verklaring van Parijs kwamen er vereisten bij. Uiteindelijk hebben de ngo’s in 2009 aanvaard om zich meer te specialiseren in een beperkt aantal domeinen en landen. De activiteiten worden meer afgestemd op de specifieke noden van elk land, met meer samenwerking tussen de verschillende spelers op het terrain.

In ruil beloofde de overheid zich te in te zetten voor de coherentie van haar beleid. Ze zal ook de ngo’s administratief minder belasten (minder rapporten schrijven, minder controle en meer evaluatie). De ngo’s worden nauwer betrokken bij het beleid. Er is regelmatig overleg en ngo’s nemen voortaan deel aan de besprekingen van de gouvernementele samenwerking met de partnerlanden.

Het blijft hoe dan ook moeilijk een evenwicht te vinden tussen onafhankelijkheid en sturing van overheidswege. Maar met vallen en opstaan zien we overheden en ngo’s uitgroeien tot solidaire partners met eenzelfde doel: ontwikkelingssamenwerking doeltreffender maken voor een rechtvaardiger wereld.

Lid van Artsen zonder Grenzen schudt de hand van lachende Afrikaanse vrouw.
© Béatrice Petit

Online

  • www.dg-d.be > partners > erkende ngo’s
  • www.acodev.be

(Federatie van Franstalige ontwikkelingsngo’s)

  • www.ngo-federatie.be

(Federatie van Nederlandstalige ontwikkelingsngo’s)

  • www.cncd.be

(Franstalige koepel van ontwikkelingsngo’s)

  • www.11.be

(Nederlandstalige koepel van ontwikkelingsngo’s)

  • www.concordeurope.org

(Europese federatie van ontwikkelingsngo’s)

  • www.csonet.org

(NGO’s erkend als adviesverlener van de VN)

NGO Belgische Ontwikkelingssamenwerking
Terug naar dossier
Imprimer
In dezelfde categorie - Artikel 29 /30 Iedereen ontwikkelingswerker?