Sierplant verpest het Tanameer

Chris Simoens
03 september 2019
De waterhyacint neemt al 54 km² van het Ethiopische Tanameer in. Hoeveel willen omwonenden betalen om de pestplant in te dijken?

Overal ter wereld bedreigen ‘invasieve soorten’ of ‘exoten’ de lokale biodiversiteit: soorten die zich, buiten hun oorspronkelijk verspreidingsgebied, ongeremd vermenigvuldigen bij gebrek aan natuurlijke vijanden. Ook Ethiopië ontsnapt er niet aan. Zo bedekten drijvende velden van waterhyacint er in 2018 al 54 km² van het Tanameer.

Het Tanameer is met zijn 3620 km² de grootste bron van zoetwater in Ethiopië, en zelfs van de Hoorn van Afrika. Bovendien vormt het de bron van de Blauwe Nijl die 80% van de watermassa van de Nijl voorziet. De VN – via UNESCO –erkenden het meer als ‘biosfeerreservaat’.

Een massa mensen hangt voor hun levensonderhoud van het Tanameer af. Boeren halen er water voor hun gewassen en vee, en er zijn ook vissers actief. Verder biedt het Tanameer mogelijkheden voor transport, toerisme, mijnbouw, ontspanning en godsdienstige praktijken. Alleen is het niet evident om aan al deze ‘diensten’ een economische waarde toe te kennen.

Naast landbouw en visserij biedt het Tanameer ook mogelijkheden voor transport, toerisme, mijnbouw, ontspanning en godsdienstige praktijken.

Een papyrusboot aan de oever van het Tanameer.
© Shutterstock

Sierplant uit Zuid-Amerika

In 2011 kwam de waterhyacint (of Eichornia crassipes) de rust in het Tanameer verstoren. De plant is afkomstig van het Amazonebekken in Zuid-Amerika maar werd jammer genoeg overal ter wereld binnengehaald als sierplant voor vijvers. In ideale omstandigheden verdubbelen de populaties van waterhyacint zich op slechts 5 dagen tijd. Zo groeide de waterhyacint uit tot de grootste waterpestplant ter wereld die vooral Australië, Azië, de VS en Afrika teistert. Met alle gevolgen van dien voor de lokale economie en het milieu.

Ethiopische en Belgische onderzoekers gingen na hoe de ongebreidelde groei van de waterhyacint kan ingedijkt worden. Het Tanameer is echter een ‘gemeenschappelijk goed’. Dat betekent dat elke burger vrij aanspraak mag maken op zijn diensten. Maar ook dat de verantwoordelijkheid om het pestprobleem aan te pakken, bij die gemeenschap ligt.

In ideale omstandigheden verdubbelen de populaties van waterhyacint zich op slechts 5 dagen tijd.

1,5 maand loon

Daarom peilden de onderzoekers in hoeverre omwonende boeren bereid waren te betalen om de waterhyacint in te perken, zowel in geld als in dagen arbeid. 98% van de ondervraagden vond alvast dat de waterhyacint hen belemmerde. De pestplant neemt immers landbouwland in, verstopt irrigatiekanalen en bemoeilijkt de toegang tot het meer.

Alles samen wilden de boeren het equivalent van 1,5 maand aan loon investeren in de volledige verwijdering van de waterhyacint. Verder onderzoek zal de impact van het pestprobleem meten op andere belanghebbenden zoals vissers en hydro-elektriciteitscentrales. Onderzoek in het verleden toonde al aan dat een investering meer dan de moeite loont: de voordelen van de waterhyacintcontrole bleken 124 keer hoger te liggen dan de kosten.

De wetenschappers stellen voor dat de overheid bijkomende studies uitvoert om een economische waarde te kleven op diensten die de natuur levert. Dat moet toelaten om beter gefundeerde maatregelen te nemen om die diensten te beschermen.

 

EVAMAB

 

Dit onderzoek kwam tot stand in het kader van EVAMAB, een project gefinancierd door het Belgisch Wetenschapsbeleid (Belspo) om de biosfeerreservaten van UNESCO te ondersteunen, en dat met case studies in Benin, Ethiopië, Tanzania en Oeganda. EVAMAB spitst zich toe op de bepaling van de waarde van ‘ecosysteemdienten’ (= diensten van de natuur). Ook CeBioS (zie kader) was bij het onderzoek betrokken, samen met de Universiteit Antwerpen, de KU Leuven en de Université Libre de Bruxelles (ULB).

CEBioS

 

Het onderzoek van dit artikel kwam mede tot stand met de steun van CEBioS (= ‘Capacities for Biodiversity and Sustainable Development’). Dit programma wordt gefinancierd door de Belgische Ontwikkelingssamenwerking en is gehuisvest in het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN). CEBioS steunt een aantal landen zoals Benin, DR Congo, Burundi en Vietnam om indicatoren te ontwikkelen om hun biodiversiteit op te volgen. Dat moet hen toelaten om beter te rapporteren over hun biodiversiteit binnen de VN-Conventie over Biodiversiteit.

Binnen CEBioS volgt een tiental personen ‘biodiversiteit en ontwikkeling’ op, met onder meer ondersteuning aan onderzoek, informatie, sensibilisering, beleidsadvies en publicaties rond biodiversiteit en ontwikkeling in het Zuiden. CEBioS organiseert tevens korte stagebezoeken in België en workshops ter plaatse voor instellingen in ontwikkelingslanden. Het maakt ook de koloniale archieven over de toenmalige nationale parken toegankelijk door ze te digitaliseren.

Biodiversiteit Ethiopië
Terug Planeet
Imprimer
Over hetzelfde thema - Artikel 6 /23 Minder houtskool om bossen te beschermen