Biodiversiteit in het Zuiden heeft meer dan ooit bescherming nodig

Luc Janssens de Bisthoven - KBIN/IRSNB
01 december 2016
De 17 duurzame ontwikkelingsdoelen 2030 (SDG’s) zijn nu al één jaar oud en laten de vorige 8 Millenniumdoelen (MDG’s) in het collectief geheugen langzaam vervagen. SDG’s 14 en 15 handelen over het behoud van biodiversiteit, de eerste voor al het mariene, de tweede voor alles wat op land en in zoetwater leeft.
De volgende ‘Conference of the parties’ (COP13) van de ‘Conventie Biologische Diversiteit’ (CBD) van de VN vindt in december 2016 in Mexico plaats, een globale gelegenheid om de biodiversiteitsgerichte ‘Aichi targets[1]’, met als streefdoel het jaar 2020, halftijds te evalueren.  Tijd om stil te staan bij de toestand van de biodiversiteit in de wereld, meer in het bijzonder in het Zuiden. 
 

Eerste vaststelling: de verarming van de biologische diversiteit slaat als alarmkreet veel minder aan dan de klimaatverandering. Ter illustratie: ik wandelde onlangs in het Pajottenland en hoorde geen koekoek of veldleeuwerik zingen, alhoewel ze er in mijn jeugd wel waren. Deze trekvogels verbinden Noord en Zuid, maar hun verdwijning verloopt geruisloos.  Alleen professionele en amateur-wetenschappers merken het op. De teloorgang van de biodiversiteit blijkt dus een sluipend, weinig zichtbaar maar wel globaal proces. Duidelijk niet zo spectaculair als de stijging van de zeespiegel! Het huidige snel uitsterven van planten- en diersoorten – ook de 6de grote massa-extinctie genoemd na de dinosaurussen - valt nu eenmaal moeilijker aan te kaarten dan klimaatverandering. Deze kan immers gebruik maken van duidelijk becijferde boodschappen als ‘geen temperatuurstijging boven 2°C’, met CO2 als ‘boze wolf’. De leuze  ‘geen nieuwe dodo meer!’, een uitgestorven vogel uit Mauritius, klinkt natuur-lijk (excuseer de woordspeling) allesbehalve sexy en het is niet meetbaar als streefdoel. Daarenboven stimuleert de noodzaak om met klimaatverandering om te gaan (adaptatie, mitigatie…) de ontwikkeling van nieuwe economisch aantrekkelijke technologieën. Dat brengt de  klimaatverandering nog meer onder de aandacht.

 

 

Een exotische bloem

Zal deze COP13 evenveel media-aandacht krijgen als de klimaattop (COP21) van Parijs? Dat hopen we, en de mensheid zou er zeker baat bij hebben. Recente wetenschappelijke studies tonen aan dat we nog lang niet op het goede pad zitten, alle internationale afspraken en goede voornemens ten spijt.  We krijgen wel een beter globaal inzicht en kunnen iets beter de pols van de aarde meten, met hier en daar wat vooruitgang op gebied van ‘global governance’ of bescherming.  Denk aan de succesvolle Natura 2000-gebieden, de re-introductie van roofdieren in Europa, of de betere bewaking van olielekken op zee. Wetenschappers berekenden dat beschermde gebieden effectief het aantal soorten lokaal met 11% doen toenemen en dus een onmisbaar instrument zijn in natuurbehoud.

Kwetsbare hotspots

Rijke landen zullen samen met de ontwikkelingslanden op de COP13 rond de tafel zitten. Het Zuiden eist – terecht-  meer middelen op van het Noorden voor capaciteitsversterking om hun rijke biodiversiteit te behouden. Anderzijds zouden de rijke donorlanden biodiversiteit ook meer als voorwaarde voor ontwikkelingssamenwerking kunnen inzetten: enkel ondersteuning als het milieu voldoende aandacht krijgt. Verder moeten zowel autoriteiten als lokale gemeenschappen, de uiteindelijke doelgroepen, nauwer betrokken worden in duurzame projecten. En dat met steeds een duidelijk plaatje voor ogen over de kosten-baten vanwege de behouden ecosysteemdiensten.  

De SDG’s mikken op een globale aanpak, maar dat ‘globale’ hapert. Op meer dan de helft van de landoppervlakte van de aarde (ca 58%) is de biodiversiteit zodanig beschadigd dat de ecosysteemdiensten niet meer voldoende functioneren. Door de vernietiging van habitats en de verdwijning van soorten komen ecosystemen als savannes, woestijnen, mangroves en gematigde graslanden in een uiterst kwetsbare situatie terecht. Vele gebieden hebben dan ook de wetenschappelijk bepaalde veilige grens  voor een stabiele, functionerende biodiversiteit overschreden. Zo zijn twee derde van 34 onderzochte ‘biodiversiteit-hotspots’ gebrandmerkt als ‘kwetsbaar’. Daaronder opvallend veel gebieden in het Zuiden, zoals het Himalaya-gebied, de afro-montane gebieden in Oost Afrika, of de Karoo in Zuid Afrika. Het Congobekken zou zich aan de rand van de ‘veilige zone’ bevinden in termen van kwetsbaarheid.

Klimaatverandering en de achteruitgang van de biodiversiteit zijn zo nauw met elkaar vervlochten dat we op beide fronten tegelijk moeten werken. Mangroves bijvoorbeeld vormen een natuurlijke bescherming van de (sub)tropische kustlijnen tegen orkanen, en dienen als koolstofopvang  en veilige voedings- en broedplaats voor krabben, zeevissen en vogels.

56 indicatoren

Wat vooral opvalt in de laatste ‘Global Biodiversity Outlook’ van de CBD, is dat van de 56 indicatoren maar 5 ervan tegen 2020 het streefdoel zullen halen: 17% van terrestrische en zoetwateroppervlakte is beschermd, Nagoya protocol[1] is aanvaard en in werking, 40% van de landen hebben een nationaal biodiversiteitsplan, kennis is verbeterd. Voor 16 indicatoren werd  geen vooruitgang geboekt of gaat de toestand zelfs achteruit: schadelijke subsidies, invasieve soorten, koraalriffen, pollutie, bedreigde diersoorten, gender en minderheden, visserij, verlies van habitat, … De resterende 32 indicatoren tonen onvoldoende vooruitgang.

We kunnen dus niet spreken van een geruststellend rapport. Dat is een duidelijke aansporing opdat de internationale gemeenschap, waaronder de Belgische Ontwikkelingssamenwerking, een belangrijke rol blijft spelen om de capaciteiten van de ontwikkelingslanden te versterken. Zo kunnen ze de eigen krachten bundelen voor een rijke en stabiele biodiversiteit, een stabiel klimaat en een duurzame samenleving in Noord en Zuid.

 

Met dank aan Han de Koeijer en Maarten Vanhove (KBIN-CEBioS)

Luc Janssens de Bisthoven, Coordinator CEBioS - KBIN

 

 

[1] Aichi targets: het CBD-verdrag voorziet 20 biodiversiteitsdoelstellingen tegen 2020, de zogenaamde. ‘Aichi targets’, zie https://www.cbd.int/sp/targets/  

[2] Het ‘Nagoya Protocol inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit het gebruik van deze rijkdommen’ is in 2010 aangenomen, als aanvulling op het Verdrag inzake biologische diversiteit (CBD). Zie https://www.cbd.int/abs/

 

 

Meer weten

Secretariat of the Convention on Biological Diversity (2014). Global Biodiversity Outlook 4. Montréal, 155 pages.

 

Een exotische vogel

CEBioS

Het CEBioS-programma (‘Capacities for Biodiversity and Sustainable Development’, www.biodiv.be/cebios2/) wordt gefinancierd door de Belgische Ontwikkelingssamenwerking en is gehuisvest in het Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen (KBIN). Een tiental personen volgt ‘biodiversiteit en ontwikkeling’ op, met onder meer ondersteuning aan onderzoek, informatie, sensibilisering, beleidsadvies en publicaties rond biodiversiteit en ontwikkeling in het Zuiden.  CEBioS organiseert ook korte stagebezoeken in België en workshops ter plaatse voor instellingen in ontwikkelingslanden. Het maakt ook de koloniale archieven over de toenmalige nationale parken toegankelijk door ze te digitaliseren (http://www.apncb.be ). CEBioS is vooral actief in Benin, DR Congo, Burundi en Vietnam, en werkt nauw samen met relevante Belgische actoren.

Exotische paddestoelen
© IRD
Biodiversiteit Duurzame Ontwikkelingsdoelstellingen
Terug Planeet
Imprimer
Over hetzelfde thema - Artikel 22 /23 Biodiversiteit: een schatkamer aan oplossingen voor duurzame ontwikkeling