De aarde warmt op!

Anne-Marie Van der Avort
01 september 2015

Klimaatverandering in een notendop

Klimaat in verandering

Het klimaat: wat is dat eigenlijk? Kortweg omschrijft het Intergovernmental Panel on Climate Change (IPCC) het klimaat als het “gemiddelde weer”. Het klimaat wordt dus gekenmerkt door gemiddelden in temperatuur, wind en neerslag op een bepaalde plaats, gedurende een langere periode (meerdere jaren tot decennia).

Het klimaat wordt beïnvloed door een reeks parameters, waaronder de luchtstromingen in de atmosfeer, de stromingen in de oceaan, het reliëf en de zonne-energie die op de aardoppervlakte valt.

Op basis van die parameters kunnen we op aarde 6 klimaattypes onderscheiden. In België leven we in een gematigd zeeklimaat. Kenmerken daarvan zijn onder meer neerslag verspreid over het hele jaar en relatief zachte temperaturen. Kort samengevat: frisse, vochtige zomers en relatief zachte, regenachtige winters.

Broeikaseffect

Al in de jaren ’60 en ’70 trokken wetenschappers aan de alarmbel. Ze merkten op dat de hoeveelheid CO₂ in de atmosfeer toenam en leek samen te gaan met stijgende wereldwijde temperaturen.

Wat heeft koolstofdioxide of CO₂ er mee te maken? Op zich is de opwarming van de aarde een natuurlijk verschijnsel: zonder de zogenaamde “broeikasgassen” in de atmosfeer, die een beschermende laag vormen en de warmte van de zon vasthouden, zou de gemiddelde temperatuur op aarde -18°C zijn in plaats van een gemiddelde 15°C. Het leven op aarde zoals wij het kennen, is dus slechts mogelijk door dat broeikaseffect. Hoe werkt het concreet? Een deel van het zonlicht dat de aarde bereikt, wordt onmiddellijk teruggekaatst. Een ander deel wordt opgeslorpt door de aarde en warmt haar op. Deze warmte wordt afgegeven in de vorm van infraroodstraling. Broeikasgassen - waterdamp, CO₂, methaan, ozon, distikstofoxide, chloorfluorverbindingen - absorberen deze straling gedeeltelijk, waardoor de atmosfeer opwarmt.

Sinds de industriële revolutie is de hoeveelheid CO₂ in de atmosfeer echter zorgwekkend gestegen, vooral door verbranding van fossiele brandstoffen. De CO₂-concentratie in de atmosfeer steeg tussen 1750 en 2013 van 280 deeltjes per miljoen (ppm) naar 400 ppm. Dat versterkt het broeikaseffect. Ook andere factoren zoals zonneactiviteit en vulkaanuitbarstingen beïnvloeden de gemiddelde temperatuur op aarde. Daardoor fluctueerde het klimaat doorheen de voorbije eeuwen regelmatig. Maar de huidige opwarming is vooral aan de mens te wijten. Het IPCC besloot in haar 5de Climate Change Assessment Report in 2013: ‘De klimaatverandering is echt en de mens is de belangrijkste oorzaak ervan.’ (zie figuur)

Wetenschappers hebben vastgesteld dat de wereldwijde gemiddelde temperatuur in de periode 1880-2012 gestegen is met 0,85°C. In bijna alle voorspellende scenario’s zal de temperatuur op aarde gemiddeld stijgen met méér dan 1,5°C tegen het einde van de 21ste eeuw. De oceanen warmen op, grote hoeveelheden sneeuw en ijs op het aardoppervlak zijn verdwenen en het zeeniveau is tussen 1901 en 2010 gestegen met 19 cm.

Afrikaanse vrouw draagt kruik op haar hoofd
© IRD/Olivier Barrière

Impact van klimaatverandering

De impact van de klimaatverandering op de mens en de natuur hangt af van regio tot regio.

Zo beïnvloedt de verandering in neerslagpatronen en smeltende sneeuw en ijs de waterhuishouding in vele regio’s. Op termijn bedreigt dat de voorziening van voldoende en zuiver water voor menselijke activiteiten en de natuur. Een sprekend voorbeeld van klimaatverandering is het verdwijnen van gletsjers, waardoor stroomafwaarts minder water beschikbaar is. Ook het permafrost in het noorden – een gebied dat normaal continu bevroren is - dooit waarschijnlijk als gevolg van klimaatverandering. Dat heeft niet alleen gevolgen voor de biodiversiteit, maar zal ook de klimaatverandering zelf versterken omdat tijdens het dooiproces extra CO en methaan vrijkomt.

Het stijgend zeeniveau maakt kustgebieden en lager gelegen gebieden bijzonder kwetsbaar voor schade door overstromingen, ondergelopen land en het wegspoelen van vruchtbare aarde. De oceanen zelf verzuren omdat ze gemakkelijk COopslaan. Zuurder zeewater tast koraalriffen aan, maar ook micro-organismen die instaan voor koolstofopslag;

De biodiversiteit op land, in rivieren en meren, in zeeën en oceanen wordt op verschillende manieren beïnvloed: andere verspreiding van soorten, seizoensgebonden activiteiten die veranderen (vroeger bloeiende planten, …), veranderende migratiepatronen en interacties tussen soorten.

Onderzoek toont aan dat voor elke graad opwarming de graanopbrengst met 5% vermindert. Tussen 1981 en 2002 alleen al daalde de landbouwopbrengst van maïs, tarwe en andere belangrijke gewassen met 40 megaton per jaar. Ook andere sectoren van voedselproductie zoals de visserij ondervinden gevolgen. Zo daalt het vangstpotentieel in tropische landen door de migratie van vissoorten naar het noorden, met zware gevolgen voor de voedselzekerheid.

Bosbrand
© Shutterstock

Het frequenter voorkomen van extreme klimatologische gebeurtenissen zoals hittegolven, overstromingen, droogte, stormen en branden heeft een rechtstreekse invloed op de menselijke gezondheid. Maar deze wordt ook onrechtstreeks bedreigd omdat ziekteverspreiders zoals muggen, teken en zandvliegen naar het noorden opschuiven. Verhoogde ozonconcentraties leiden tot ademhalingsproblemen in de zomer en allergische stoornissen zullen toenemen omdat het pollenseizoen wijzigt en er andere plantensoorten voorkomen. De meest kwetsbare groepen met lage inkomens zullen beduidend meer lijden onder de klimaatverandering, wat de ongelijke gezondheidssituatie tussen en binnen landen waarschijnlijk zal versterken.

Extreme gebeurtenissen richten uiteraard ook economische schade aan. Zo kan het zwakkere debiet van waterlopen de productie van elektriciteit door waterkrachtcentrales verstoren. Ook de koelsystemen van elektriciteitscentrales kunnen lijden onder watertekort met een lagere energieproductie tot gevolg. Een ander voorbeeld is de schade aan de transportinfrastructuur veroorzaakt door hitte of intense neerslag.

Toch lopen de ramingen over de kosten van klimaatverandering voor de wereldwijde economie sterk uiteen. De gevolgen voor de economie zijn immers sterk regio-en sectorgebonden. Studies van de laatste 20 jaar wijzen op een verlies aan inkomsten tussen 0,2 en 2%. Het IPCC beschouwt deze studies echter als onvolledig en beschouwt de cijfers als onzeker, maar vermoedt dat de kosten eerder hoger dan lager zullen uitvallen. Hoe hoger de opwarming, hoe groter het verlies. Maar voor een opwarming met 3°C of meer zijn weinig ramingen beschikbaar.

Minder voedselzekerheid en een toenemend watertekort kunnen op termijn ernstige sociale gevolgen hebben en bijvoorbeeld conflicten over beschikbare landbouwgrond versterken.

De Noord-Zuidtegenstelling tussen de industrielanden en de arme landen, die de grootste gevolgen van klimaatverandering dragen, kan leiden tot politieke conflicten. Ten slotte kan ook de migratie toenemen, rechtstreeks of onrechtstreeks als gevolg van klimaatverandering.

Verwoest landschap met brokstukken
© IRD/Alain Leplaideur

De opwarming beperken: mitigatie

Een eerste manier om klimaatverandering aan te pakken is preventie. Intussen is duidelijk geworden dat we de opwarming van de aarde niet meer kunnen stoppen, maar we kunnen ze wel nog zoveel mogelijk inperken. Internationaal werd in het kader van de klimaatonderhandelingen overeengekomen om de opwarming van de aarde te beperken tot 2°C.

De uitstoot van broeikasgassen moet dus drastisch ingeperkt worden. Dat noemen de klimaatspecialisten “mitigatie”. De verbranding van fossiele brandstoffen zoals steenkool, olie en aardgas is verantwoordelijk voor 80% van de uitstoot van CO. Maar ook de uitstoot van andere broeikasgassen zoals methaan (met een veel groter opwarmingspotentieel dan CO) moet teruggeschroefd worden.

Volgende sectoren hebben het grootste aandeel in de uitstoot van broeikasgassen: energieproductie (35%), landbouw, bosbouw en andere bodembestemmingen (24%), industrie (21%), transport (14%) en gebouwen (6%).

Volgens het IPCC beschikt de mens over voldoende technologische middelen voor mitigatie en moet er vooral ingegrepen worden in de energievoorziening. Bovendien leveren deze mitigatiemaatregelen belangrijke bijkomende voordelen op: energiezekerheid, minder luchtvervuiling, natuurbehoud, welzijn,…

Voorbeelden aan productiezijde: groter aandeel hernieuwbare energiebronnen (wind, zon, water) voor elektriciteitsproductie, omvormen van steenkoolcentrales naar efficiëntere aardgascentrales, …

Maar ook aan vraagzijde is er ruimte voor mitigerende maatregelen: enerzijds technologische oplossingen zoals “groene” wagens of lage-energiewoningen, anderzijds beleidsmaatregelen die het gedrag van mensen beïnvloeden. Zo kan een betere stedelijke planning mensen er toe aanzetten om de wagen vaker te laten staan en te fietsen of te wandelen. In ontwikkelde landen zouden gedragswijzigingen de vraag naar energie op korte termijn met 20% kunnen verminderen en tegen 2050 met 50%.

Ook herbebossing, duurzaam bosbeheer en de strijd tegen ontbossing moeten deel uitmaken van de mitigatie-inspanningen. Ook de landbouw kan koolstof opslaan. Duurzamere landbouwpraktijken kunnen bovendien de uitstoot van methaan en distikstofoxide (afkomstig van meststoffen) beperken.

Hoe gaan we er mee om: aanpassing

Een tweede manier om klimaatverandering aan te pakken is aanpassing. Want volgens het laatste IPCC-rapport zijn de gevolgen van klimaatverandering nu al voelbaar en wijdverspreid. 15 tot 40% van de reeds uitgestoten CO zal honderden jaren na de uitstoot aanwezig blijven in de atmosfeer. Dus zelfs met drastische mitigerende maatregelen blijft een deel van de opwarming onomkeerbaar.

Gezien de brede impact van klimaatverandering zijn alle sectoren van de samenleving bij de aanpassing betrokken. Beleidsplannen moeten dus rekening houden met de brede waaier aan risico’s die klimaatverandering met zich meebrengt.

De mate waarin aanpassing mogelijk is, hangt af van verschillende factoren: de fysieke impact zelf, de blootstelling aan risico’s op een specifieke plaats, de kwetsbaarheid van een bevolkingsgroep (op zijn beurt afhankelijk van inkomensschaal en dergelijke).

Mogelijke voorbeelden van aanpassingsmaatregelen: een betere voorbereiding op natuurrampen zoals droogte en overstroming, een wegeninfrastructuur bestand tegen overstromingen, veranderingen in de landbouwkalender (zaai- en oogstseizoen aanpassen), droogteresistente landbouwgewassen ontwikkelen.

Aanpassingsmaatregelen hoeven niet altijd gepaard gaan met hoogtechnologische oplossingen. Zo kan het herstel van mangroves - bossen langs tropische kusten tot in het zeewater – de kustgebieden beschermen.

Zandstorm met huisjes
© IRD

Klimaatverandering en ontwikkelingssamenwerking

Voor de Belgische Ontwikkelingssamenwerking vormt klimaatverandering een prioritair thema. Ontwikkelingslanden zijn het minst verantwoordelijk voor de wereldwijde uitstoot, maar dragen wel de gevolgen ervan.

De resultaten van onze inspanningen voor duurzame ontwikkeling in die landen worden dus bedreigd door de klimaatverandering. In de toekomst zal armoedebestrijding moeilijker worden en ook voedselzekerheid komt in het gedrang. Arme bevolkingsgroepen in het Zuiden zijn hoe dan ook het meest kwetsbaar voor de gevolgen van de opwarming. Ze zijn immers niet verzekerd, hebben geen sociale bescherming en voelen snel de impact van hogere voedselprijzen.

Tegelijkertijd kunnen landen in het Zuiden hun economie doen groeien aan de hand van schonere technologieën en hoeven ze de fouten uit het verleden niet te herhalen.

De ontwikkelingssamenwerking van nu en in de toekomst moet dus een koolstofarme ontwikkeling stimuleren en gaat hand in hand met het leren omgaan met klimaatrisico’s.

 

http://newsroom.unfccc.int/

www.klimaat.be

 

Klimaat
Terug Planeet
Imprimer
Over hetzelfde thema - Artikel 15 /15 Parijs 2015: klimaattop van de laatste kans