De eeuwige zoektocht naar Utopia

Chris Simoens
01 april 2010
Het zoeken naar de ideale samenleving is samen met de mensheid ontstaan. Hierbij een overzicht van de evoluties naar de huidige staatsvormen toe en de moeilijkheden waar ze mee kampen. Dé ideale staatsvorm is nog niet gevonden. Het blijft een moeizaam proces van vallen en opstaan, zoeken, veranderen, verbeteren.

Jager-verzamelaars

De eerste mensen waren jager-verzamelaars. Ze zwierven rond in groepjes, die ze met opzet beperkten tot een 25 à 50 leden. Bedoeling was zo weinig mogelijk beslag te leggen op de natuurlijke omgeving, die hen van voedsel (wilde planten en dieren) voorzag.

Men neemt aan dat dergelijke kleine groepen vrij egalitair zijn: het onderscheid in rang is beperkt. De oudsten vervullen een weinig uitgesproken leiderschap, beslissingen worden bij voorkeur door de hele groep genomen. Tegenwoordig vinden we dergelijke gemeenschappen nog bij Amerikaanse Indianen en Australische Aboriginals.

 

Stamverbanden

Met de opkomst van de landbouw verandert de situatie. Zo’n 12.000 jaar geleden leerde de mens wilde planten (en dieren) kweken. Door het overschot aan voeding kon de bevolking aangroeien. Bovendien moest niet iedereen zich met de voedselkweek bezighouden. Hierdoor ontstond een taakverdeling (naast landbouwers, ook ambachtslui, een leidende klasse en dergelijke), en meteen een verschil in aanzien. De gemeenschap verloor dus zijn egalitaire karakter. Aangezien de mens niet meer moest rondtrekken om zijn voeding te vinden, vestigde hij zich in dorpen.

Deze oorspronkelijke gemeenschappen hebben vooral verwantschap als bindmiddel. Het zijn gemeenschappen in stamverband. Verschillende (uitgebreide) families behoren tot een grotere groep (dorp of clan), verschillende dorpen vormen één stam of etnische groep. Elke groep heeft zijn eigen leider. Er zijn familiehoofden, dorpshoofden en stamhoofden. Sommige samenlevingen – zoals de Igbo in Nigeria - zijn sterk gedecentraliseerd: elk dorp is er onafhankelijk.

Gemeenschappen in stamverband worden in het Westen vaak als primitief beschouwd. Maar dit zijn ze niet. Het zijn vormen van organisatie die perfect aangepast zijn aan hun omgeving. Ze zijn niet sterk aan een grondgebied gebonden en het standenverschil blijft gering. Hun rechtssysteem is vernuftig: conflicten worden uitgeklaard op de diverse niveaus van familie, dorp en stam. De raad van ouderen is er een belangrijk orgaan en de chef kan afgezet worden als hij niet voldoet. De gemeenschap zelf onderhoudt wegen en andere gemeenschappelijke infrastructuur. Kortom, gemeenschappen in stamverband verzorgen vaak heel goed hun interne orde en via familiale solidariteit garanderen ze hun leden een menswaardig bestaan. Voor de koloniale periode waren dergelijke gemeenschappen gemeengoed in Afrika.

Beschavingen

Dankzij een economisch overschot – bijvoorbeeld door een hoge landbouwproductie en een uitgebreide handel – kunnen beschavingen ontstaan. Deze hebben een complexe politieke structuur met diverse instellingen – een volwaardige staat - en een sterke centrale gezagsdrager, veelal een koning. Deze streeft vaak naar een grotere invloedssfeer, waardoor hun rijken meerdere etnische groepen opslorpen. De inwoners kunnen meer bezit verwerven, het verschil tussen de klassen wordt groter. Beschavingen hebben ook een eigen cultuur: specifieke ideeën, gebruiken en kunstuitingen.

Voorbeelden zijn het Oude Egypte, Ghana, Mali, Ethiopië, Sumer, de Inca’s en het Romeinse Rijk. In het keizerrijk China denkt Confucius (500 v. Chr.) zijn 'ideale' samenleving uit. Niet zozeer de wet, maar de moraal moet voor orde zorgen. Rituelen en waarden als respect voor de ouders en de meerderen vormen de hoekstenen.

Feodalisme en absolutisme

Het feodalisme van het vroegmiddeleeuwse Europa spruit voort uit de samenlevingen in stamverband van de Germanen. Ook hier zien we een hiërarchie van niveaus: leenheren staan boven de vazallen. De koning of keizer is de opperste leenheer, terwijl de lijfeigenen de onderste schakel vormen. Het systeem is vooral gebaseerd op uitbiting.

In het feodale stelsel bleven de vazallen onder de koning vrij onafhankelijk. Maar vanaf de 15de-16de eeuw trokken de koningen geleidelijk alle macht naar zich toe. De andere rangen (burgerij, adel, clerus) hadden nog nauwelijks iets te zeggen. Een schoolvoorbeeld van dit absolutisme is Lodewijk XIV (1638-1715).

De revoluties van de 17de en 18de eeuw

Vanaf de 17de eeuw staan meer en meer denkers op die ingaan tegen dit absolutisme. Het bestuur door de Demos (volk) in Athene (4de-5de eeuw v. Chr.) werkte inspirerend. Elke stadsbewoner was er lid van de Ecclesia (een soort stadsraad) die minstens 40 keer per jaar bijeenkwam. Hier werden de belangrijkste beslissingen genomen. Daarnaast was er een Raad met 500 leden en een Comité met 50 leden. Minpunt was wel dat alleen de mannelijke bewoners ouder dan 20 jaar lid waren van de Ecclesia. Slaven – de meerderheid van de bevolking -, vrouwen en vreemden vielen uit de boot.a

De denker Locke (1637-1704) legde de nadruk op 'natuurlijke' of door God gegeven rechten: recht op vrede, vrijheid en eigendom. Hij was voorstander van een regering die door het volk gekozen werd en haar rechten beschermde.

Locke’s ideeën beïnvloedden de Engelse revolutie van 1688. Deze beperkte de macht van de koning aanzienlijk. Naast hem kwam een parlement als nieuw beleidsorgaan. De leden van het parlement waren echte 'volksvertegenwoordigers', ze werden door het volk gekozen. De Bill of Rights somde voor het eerst een aantal burgerrechten op (vrije meningsuiting…).

Montesquieu (1689-1775) meende dat iedereen die macht heeft, geneigd is die te misbruiken. Daarom moest de macht verdeeld worden over drie instanties: de uitvoerende, wetgevende en rechterlijke macht. Essentieel is dat elke macht door de andere machten wordt beperkt en gecontroleerd.

De Amerikaanse revolutie (1763-1787), waarbij de Verenigde Staten zich losrukten van Engeland, koos resoluut voor deze 'scheiding der machten'.  De VS worden een republiek met een president als uitvoerende macht. De wetgevende macht is in handen van het parlement. De nadruk ligt op de vrijheid en de gelijkheid van de burger. De Amerikaanse constitution is de eerste echte grondwet.

De Franse revolutie (1789-1792) maakte radicaal komaf met het absolutisme in de persoon van Lodewijk XVI. In de plaats hiervan komt de Franse republiek met een verkozen parlement als wetgevende macht. Maar het bleek niet evident om de mooie 'Verklaring van de rechten van de mens en van de burger' in de praktijk om te zetten. Uiteindelijk zou Napoleon in 1799 de macht grijpen. De opkomst van keizer Napoleon betekende niet volledig een terugkeer naar af. Zijn organisatie van de rechterlijke macht en van de gemeenten en provincies werken tot op vandaag door.

"Vrijheid van het volk'. Beroemd schilderij van Eugène Delacroix dat de Franse revolutie voorstelt.
© histoire.fr

De moderne staat naar Westers model

De diverse revoluties hebben de weg gebaand tot de 'moderne staat'. We onderscheiden vijf basiskenmerken.

  • De staat heeft een centraal, onafhankelijk gezag.
  • Staatsinstellingen zijn 'openbaar', ze maken en voeren beslissingen uit die voor de hele gemeenschap gelden. Privégroepen zoals vakbonden, families en ondernemingen streven hun individuele doeleinden na.
  • Het gezag van de staat is legitiem (wettig). Zijn beslissingen zijn bindend voor alle leden van de gemeenschap en dienen het algemene goed.
  • De staat is een instrument van overheersing. Hij kan haar beslissingen opleggen en beschikt hiervoor over een apparaat: politie en gerecht ('geweldsmonopolie'). Overtreders van de wet worden gestraft.
  • De staat is gebonden aan een grondgebied, en wordt in principe als zodanig internationaal erkend.

De moderne democratische staat is gestoeld op een grondwet. Deze omschrijft zijn organisatie en de relatie tussen bestuurders en bestuurden. Heel eigen is de scheiding der machten: uitvoerend, wetgevend en rechterlijk. Verkiezingen zijn essentieel. Ze laten toe dat het volk het bestuur kan beoordelen, en indien nodig naar huis sturen.

De basistaken van de staat bestaan uit het garanderen van interne orde en van een menswaardig bestaan voor zijn burgers. In de complexe maatschappij van vandaag heeft de staat een ruime reeks bevoegdheden: belastingen heffen om de openbare diensten te financieren, onderwijs, vervoer, economie, energie, enz. Hij onderhoudt de relaties met het buitenland en beschikt over een leger om het land te beschermen. Voor de diverse bevoegdheden zijn de ministers (en staatssecretarissen) verantwoordelijk. Ze steunen voor de uitvoering van hun beleid op een administratief korps, de ministeries.

Afrika

Op de conferentie van Berlijn in 1885 deelden de Europese mogendheden het Afrikaanse continent onder zich op. Leopold II van België kreeg Congo toegewezen. De grenzen werden willekeurig getrokken. Hierdoor bevonden zich meerdere etnische groepen op eenzelfde 'nationale' grondgebied.

De onafhankelijkheidsgolf van de jaren 50 en 60 kwam in Afrika vrij plots op gang. Dit leidde ertoe dat de kolonisatoren abrupt het land verlieten. Hierdoor was er onvoldoende tijd om de koloniale staatsinstellingen aan het land over te dragen. Deze waren immers door de kolonisator opgericht en niet eigen aan het land, dat vaak georganiseerd was in stamverbanden. Bovendien was de economie in de kolonies beperkt tot één of een paar exportproducten. Van de winst vloeide amper iets naar het land terug.

Op de conferentie van Berlijn in 1885 deelden de Europese mogendheden het Afrikaans continent onder zich op.
© britannica.com

De nieuwe onafhankelijke landen hadden dan ook een vrij zwakke uitgangspositie. Toch hielden hun leiders vast aan het grondgebied zoals dit door de kolonisatoren was bepaald. Maar omwille van de diversiteit aan etnische groepen achtten ze het wenselijker om een centraal gezag aan te houden met één partij. De strijd tegen de kolonisator had alle groepen in het land verbonden tot een pril nationalisme, en de nieuwe leiders surften op deze golf verder. Dit leidde soms tot gedurfde socialistische experimenten zoals in het Tanzania van president Nyerere.

Veel leiders bouwden hun machtspositie uit. Ze bonden hun volk aan zich door hen diensten te bewijzen zoals onderwijs en gezondheidszorg, maar hadden vaak in de eerste plaats de verankering van de eigen macht voor ogen. Door het wegvallen van de Koude Oorlog en de geringere internationale belangstelling in de jaren 90 slonken de middelen. Er bleef weinig ruimte over voor dienstverlening. Dit leidde uiteindelijk tot een democratiseringsproces, met de organisatie van vrije verkiezingen. Net zoals in Europa gebeurt ook in Afrika de overgang naar een volwaardige democratie niet in één dag, het vergt tijd. Zo hebben sommige landen af te rekenen met groepen die het centrale gezag niet erkennen (Soedan, Nigeria, Niger…). Vele worden als 'fragiele staten' beschouwd.

Fragiele staten

Niet iedereen is het eens over het begrip 'fragiele staten'. Het verwijst naar landen die moeilijkheden hebben om de kenmerkende taken van een staat uit te voeren zoals de zorg voor interne orde en de billijke verdeling van goederen. De bevolking heeft onvoldoende inspraak in het beleid en er is nauwelijks controle over de uitvoerende macht. Ook het budgetbeheer van de staat verloopt moeizaam.

Het begrip is van belang voor de ontwikkelingssamenwerking. 'Staten in een fragiele situatie' hebben typisch een heel arme bevolking, terwijl ze vaak weinig hulp krijgen. Er zijn immers geen garanties dat de hulp goed terecht komt.

Toch is het belangrijk dat deze landen bijgestaan worden. Volgens de Organisatie van Economische Samenwerking en Ontwikkeling heeft België zes partnerlanden in een fragiele situatie: DR Congo, Burundi, Rwanda, Palestijnse Gebieden, Oeganda en Niger. Om de hulp doeltreffender te maken, komt België met het partnerland overeen aan goed bestuur te werken. Zowel België als het partnerland verbinden zich tot transparantie en rekenschap om corruptie te vermijden. België werkt samen met ’s lands instellingen en verleent opleiding en advies. Dit gaat gepaard met het versterken van de democratische structuren (parlement, maatschappelijk middenveld…), het respect voor mensenrechten en het bevorderen van de persvrijheid.

Vanaf de jaren 90 werden in veel Afrikaanse landen verkiezingen georganiseerd.
© britannica.com

Besluit

Het democratische staatsmodel wordt tegenwoordig het meest toegepast. Maar het is zeker geen eindpunt. Zo zien we een toenemende invloed van internationale en supranationale organisaties zoals de Verenigde Naties en de Europese Unie. Tegelijkertijd is er een tendens naar meer bevoegdheid voor lokale eenheden. En kiest men voor een slanke staat met vooral privé-initiatief, of voor een ruime staat met een zo breed mogelijke verdeling van goederen? De zoektocht naar Utopia [1] gaat door.


[1] Boek van Thomas More (1516) waarin hij een ideale, harmonische staat beschrijft

De Belgische staat

 

In België – een constitutionele monarchie - wordt de wetgevende macht uitgeoefend door het parlement (de Kamer en de Senaat) en de koning. Zij maken niet alleen wetten, maar kunnen ook onderzoekscommissies oprichten en controleren de uitvoerende macht. De uitvoerende macht ligt in de handen van de regering van ministers en staatssecretarissen, en van de koning. Zij voeren de wetten uit en bepalen het beleid. De rechterlijke macht omvat de hoven en rechtbanken. Ze doet uitspraak over geschillen en volgt ook de wettelijkheid van de daden van de uitvoerende macht op. De koning heeft hoofdzakelijk een ceremoniële functie.

 

Bestuur
Terug naar dossier
Imprimer