Een koe voor het leven – of hoe geven helpt

Ellen Debackere & Pascal Niyonsaba
22 november 2017
In Rwanda schonk de overheid een koe aan ruim 230.000 van de meest achtergestelde families. Maar helpt geven wel? Glo.be viste het ter plaatse voor u uit.

In het ontwikkelingsdebat is het anno 2016 niet bon ton om zich positief uit te laten over het “geven” van geld of middelen. De ontvanger zou de gift immers nooit voldoende naar waarde schatten of er genoeg zorg voor dragen. Exact tien jaar geleden werd in Rwanda evenwel een ontwikkelingsprogramma opgestart dat vandaag het tegendeel neigt te bewijzen.

Niet geven, wel geven?

‘Ndashimira cyane President wa Republika y’u Rwanda. Dat ik de president heel dankbaar ben’, herhaalt Emérance Mukagatore wanneer ze ons bij haar ontvangt. Niet zonder trots toont ze ons haar jonge koe die ze drie jaar geleden van de overheid ontving. Het dier staat vastgebonden aan een voederbak.

Heel wat experts kanten zich tegen het “geven”, of het nu om materiaal gaat om de productie te verhogen of om andere zaken. Ze menen namelijk dat de duurzaamheid van ontwikkelingsinitiatieven enkel gegarandeerd wordt wanneer mensen in het Zuiden meer betrokken zijn bij de hulpprojecten en ze ‘eigenaarschap’ voelen. Want dan denken en handelen ze als eigenaars en voelen ze zich verantwoordelijk voor wat er gebeurt. Projecten waarbij eenvoudigweg iets ‘gedoneerd’ wordt, konden vanaf het midden van de jaren negentig op steeds minder bijval rekenen.

Toch mogen niet alle geefprojecten over éénzelfde kam geschoren worden. Dat bewijst het Rwandese one-cow-per-poor-family-programma. Rwanda is, na de Democratische Republiek Congo en afwisselend met Burundi, het tweede belangrijkste partnerland van de Belgische Ontwikkelingssamenwerking. In 2006 besloot de Rwandese president Paul Kagame om een koe te schenken aan de armste huishoudens, meestal kleine boeren op het platteland. Hiermee beoogde hij de levensstandaard van deze families te verhogen. De melk zou in eerste instantie voor een evenwichtiger dieet zorgen. Vervolgens zouden de boeren met de mest die de koe produceert hun opbrengst kunnen verhogen. Ten slotte zouden hun inkomsten stijgen door de melk te verkopen.

'Dat ik de president heel dankbaar ben’, herhaalt Emérance Mukagatore wanneer ze ons bij haar ontvangt. Niet zonder trots toont ze ons haar jonge koe die ze drie jaar geleden van de overheid ontving.

Vrouw staat bij koe.
© Ellen Debackere

De grootste verdienste van het programma ligt echter niet op economisch terrein. Belangrijker is dat het programma voor toenadering zorgt tussen mensen van een verschillende etnie. Dat is essentieel in een land als Rwanda dat nog steeds de sporen van de genocide draagt. De impact van het programma op de mensen in westelijk Rwanda, een melkrijke streek, is voelbaar.

236.204 koeien

Eén van die mensen is Emérance Mukagatore, weduwe en moeder van zes kinderen. De diepe littekens in hals en benen verraden dat ook zij niet gespaard is gebleven van de gruwelen van de genocide die het land teisterde in 1994. In 2013 ontving Emérance haar eerste koe via het one-cow-per-poor-family programma, ook wel Girinka genoemd.

Het ontwikkelingsprogramma maakt deel uit van het ambitieuze Vision2020-plan dat van Rwanda een middeninkomensland wil maken tegen 2020. In mei 2016 werd becijferd dat sinds de opstart van het programma niet minder dan 236.204 koeien over de meest kwetsbare families van Rwanda werden verdeeld. Daarbij werden niet altijd de meest economisch rendabele keuzes gemaakt. Zo schrijft het programma voor dat de begunstigde de ruimte en de middelen moet hebben om een koe waardig in leven te houden. Toch blijken de beesten ook op plekken terecht te komen die niet aan die voorwaarden voldoen. Dat zet natuurlijk een rem op de productiviteit van de koeien.

Toch blijkt de impact opvallend positief, zeker op individueel vlak. Zo betekende voor Emérance de koe een wereld van verschil. Het geld dat ze ontvangt van de verkoop van de melk, stelde haar in staat twee van haar kinderen naar school te sturen.

Controle melk Rwanda

 

Melkweg naar Congo

Ook andere mensen – die zelf geen koe kregen – pikten een graantje mee van de gestegen melkproductie. De verkoop van verse, rauwe melk blijkt immers zeer winstgevend omdat het nauwelijks kosten met zich mee brengt. Dankzij het programma is de verkoop van Rwandese melk in Congo enorm toegenomen. Niet minder dan 25.000 mensen steken dagelijks de grens over vanuit het Rwandese Gisenyi naar het Congolese Goma. Velen onder hen verkopen er enkele liters melk. In 2015 alleen al raakte niet minder dan 8.541.377 liter rauwe melk informeel de grens over van Gisenyi naar Goma. Dat vertegenwoordigt een waarde van 1,84 miljard Rwandese frank of een slordige 2 miljoen euro aan de huidige wisselkoers. Velen vonden met andere woorden een originele manier om de nieuwe melkmarkt te exploiteren.

Dat Congo weinig eisen stelt aan de melk, zet de Rwandezen nog meer aan tot verkoop in het grote buurland. De risicovolle trip nemen ze er graag bij. Zelfs als tal van instanties in Congo lukraak geld opeisen van de exporterende Rwandezen, dan nog blijft het voldoende winstgevend. Want op die manier krijgt minderwaardig bevonden Rwandese melk een tweede kans in Congo. Zo verplicht Rwanda om melk te transporteren in inox-kannen, terwijl Congo ook plastic bidons toelaat. Daarnaast installeerde de Rwandese overheid her en der melkverzamelingscentra die de kwaliteit van de melk mee in het oog houden. Maar Congo stelt helemaal geen kwaliteitseisen. Resultaat: de afgekeurde melk vindt niet zelden haar weg naar de Congolese markten, waar zowat alles verkocht raakt. À Goma on achète tout. Bovendien is de vraag in Goma – een stad met meer dan 600.000 inwoners – vele malen groter dan in het aangrenzende Gisenyi.

Dat Congo weinig eisen stelt aan de melk, zet de Rwandezen nog meer aan tot verkoop in het grote buurland. De risicovolle trip nemen ze er graag bij.

Economie van verzoening

Misschien nog belangrijker voor een land als Rwanda, zijn de sociale doelstellingen die met het Girinka-programma beoogd worden. Die vallen niet te onderschatten in een land waar na de genocide zoveel gebroken families van verschillende etnische afkomst terug naast elkaar moesten leren leven. Het melkprogramma draagt haar steentje bij in deze poging tot verzoening.

Zo schrijft het programma voor dat het eerste kalfje van een verkregen koe door de begunstigden aan een andere kwetsbare familie geschonken moet worden. Dat sluit aan bij een traditie in Rwanda: het schenken van een koe zorgt ervoor dat men voor eeuwig met elkaar verbonden blijft.

Een mooi verhaal overkwam een oude vrouw uit het dorp waar ook Emérance woont. Via het Girinka-programma zou deze vrouw een koe ontvangen. Zelf was ze echter te zwak en niet in staat om voor de koe te zorgen. De overheid besliste dat haar buren voor de koe zouden zorgen. Maar ze dienden haar wel dagelijks een paar liter melk te bezorgen. De oude vrouw behoorde evenwel tot een andere etnie dan haar buren. Met de gebeurtenissen van 1994 in het achterhoofd was ze ervan overtuigd geraakt dat haar buren haar met die melk zouden vergiftigen. Maanden aan een stuk weigerde ze de melk van haar buren aan te nemen. Tot ze op een dag uit armoede niet anders kon dan de liters te aanvaarden. Ze dronk de melk en merkte dat er niets gebeurde. De weken nadien begon ze de melk steeds meer te aanvaarden tot ze uiteindelijk een praatje sloeg met haar buren die de melk kwamen leveren. Op deze manier zorgde het Girinka-programma voor een nieuwe vertrouwensband.

Het one-cow-per-poor-family-programma toont mooi aan dat de ontwikkelingskritiek op het “geven” van materiaal niet altijd terecht is.

Lokaal verhaal

Het one-cow-per-poor-family-programma toont mooi aan dat de ontwikkelingskritiek op het “geven” van materiaal niet altijd terecht is. Ondanks de onmiskenbare schoonheidsfoutjes – zo blijkt er al eens gefraudeerd te worden bij de verdeling van de koeien – en de beperkte impact die enkele liters melk her en der op de nationale economische cijfers hebben, oogst het programma belangrijke resultaten op individueel en sociaal niveau. Het bewijst bovenal dat de mogelijke effectiviteit van ontwikkelingsprogramma’s onlosmakelijk verbonden blijft met de lokale context en gewoonten.

Pascal Niyonsaba (Rwanda) en Ellen Debackere (België) realiseerden dit onderzoek met de steun van Journalismfund.eu

Journalismfund

 

Rwanda Veeteelt Voedselzekerheid Melk
Terug Economie
Imprimer
Over hetzelfde thema - Artikel 4 /5 Fonio: een graansoort tegen voedselonzekerheid