Hoe kunnen we het Zuiden voeden?

Chris Simoens
06 december 2018
[Interview] Het Zuiden zal het knap lastig krijgen om tegen 2050 voldoende voedsel te produceren, onder meer door de klimaatverandering en de bevolkingsgroei. Welke oplossingen bestaan er? Glo.be ging te rade bij prof. Patrick Van Damme (Universiteit Gent).

Een recent FAO-rapport stelt het duidelijk: vandaag lijden 821 miljoen mensen honger. En toch is er voldoende voedsel voor iedereen. Klopt dat?

De hele wereld produceert jaarlijks voldoende voedsel voor 10 miljard mensen. Daarvan gaat 30% verloren na de oogst. Daarmee komen we aan voldoende voedsel voor 7 miljard mensen, ongeveer het huidige aantal.

In het Zuiden hebben de boeren weinig mogelijkheden om hun oogsten goed te stockeren. Ratten en muizen vreten aan de voorraden, schimmels en insecten zorgen voor beschadiging. Terwijl in het Noorden vooral veel voedsel wordt weggegooid. Vandaar de inspanningen van de Europese Unie om de overschotten van restaurants en grootwarenhuizen zo veel mogelijk te hergebruiken of ten minste weg te schenken aan voedselbanken en behoeftigen.

 

Waarom blijft het dan zo moeilijk om ook vandaag alle mensen in het Zuiden te voeden?

In het Zuiden hebben we vooral te maken met kleine boeren. Vooral zij lijden honger! Om de honger uit de wereld te helpen, hebben die kleine boeren ondersteuning nodig. Dat kan relatief goedkoop met eenvoudige en lokaal beschikbare hulpmiddelen.


Ondanks talloze beloften, onder meer van de Afrikaanse Unie, besteden regeringen nauwelijks aandacht aan hun kleine boeren. Vorig jaar nog heeft de regering van Ivoorkust verboden om te investeren in de cacaosector. Ze vreest dat een hoger aanbod de prijzen zal doen dalen – en dat betekent minder inkomsten… voor de staat. Dat is gewoon schandalig!

De kleine producenten moeten dus maar hun plan trekken. Maar zonder een geschikte omgeving kunnen zij niets aan hun situatie veranderen. Daar moet de overheid voor zorgen. Het ontbreekt alleen aan politieke wil om de oplossingen in de praktijk te brengen.

Foto Patrick Van Damme

 

Prof. Patrick Van Damme, verbonden aan de Universiteit Gent, is al sinds 1980 actief in de tropische landbouw. Hij adviseert de VN-Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO), Europese Unie, Wereldbank, IFAD,… maar ook (inter)nationale ngo’s. En hij reist van hot naar her om les te geven, onderzoek te doen en studenten te begeleiden. Hij kent dan ook de situatie van de kleine boer in het Zuiden zeer goed.

Kan een grootschalige landbouw het Zuiden helpen?

Nooit! Dat helpt kleine boeren niet verder, zeker niet op korte termijn. Productie op grote schaal is trouwens minder rendabel dan gevarieerde teelten op kleine lappen grond.

 

En wat met hoogtechnologische oplossingen zoals computergestuurde druppelirrigatie en drones?

Ook daar kan je de kleine boeren niet mee helpen, enkel met eenvoudige technieken. De oplossingen zijn gekend, je moet ze alleen toepassen.

In 1980 begon ik als voorlichter voor het FAO in Senegal. Ik besloot toen om al mijn aanbevelingen – rond bewatering, variëteiten, bemesting – zelf toe te passen met tomaten op een stuk land van 1 hectare. Dat leverde 120 ton op terwijl de boeren in de buurt slechts 12,5 ton oogstten! Het verschil? Wij oogstten elke week onze tomaten. Tomaten rijpen immers geleidelijk aan en laten toe gedurende 15 weken te oogsten. Maar de lokale boeren oogstten in totaal maar twee keer. Een groot deel van hun tomaten rotten aan de plant. Vaak bots je dus op problemen die eenvoudig op te lossen zijn. Door meer te spuiten of met een hoogtechnologische aanpak zal je de boer niet helpen.

Ook een ggo-maïs (ggo = genetisch gewijzigd organisme) zal nooit de voorgespiegelde opbrengst halen. Je hebt misschien één probleem uitgeschakeld – bijvoorbeeld een plaag – maar dan resten er nog een reeks andere problemen. Om die problemen te onderkennen, heb je een landbouwkundige nodig en geen bio-ingenieur. Die weet namelijk niet hoe je succesvol een veld met rijst of maïs kunt beplanten.

De lokale boeren oogstten in totaal maar twee keer. Een groot deel van hun tomaten rotten aan de plant. Vaak bots je dus op problemen die eenvoudig op te lossen zijn. Door meer te spuiten of met een hoogtechnologische aanpak zal je de boer niet helpen.

Veld met tomaten in Angola
© Shutterstock

Ggo’s zullen het Zuiden dus niet redden?

Multinationals zoals Bayer (die onlangs Monsanto aankocht) en Syngenta hanteren een uitsluitingsmodel. Ze verkopen hun genetisch gewijzigde zaden samen met pesticiden en meststoffen. Een duur pakket voor de kleine boer! Ze smokkelen zelfs ‘terminatorgenen’ in hun variëteiten waardoor de boeren de zaden niet meer kunnen hergebruiken. Ze worden dus verplicht om elk jaar nieuwe zaden te bestellen. Zo worden ze afhankelijk van een grootindustrie die hen uitbuit. Daar ben ik totaal tegen.

Bovendien stel ik vast dat de beloftes van de ggo’s niet worden waargemaakt. Zo is het pesticidegebruik niet gedaald, integendeel. Bij herbicideresistente ggo-variëteiten bijvoorbeeld is het de bedoeling dat boeren het passende herbicide spuiten om hun onkruid te verwijderen. Een normale boer verdelgt zijn onkruid niet met herbiciden. Hij schoffelt tussen zijn gewassen en benut het onkruid zelfs als veevoeder of als geneeskrachtig kruid.

Overigens bestaan er voorlopig nauwelijks genetisch gewijzigde voedingsgewassen. Het gaat vooral over katoen en over soja en maïs die ingezet worden als veevoeder. Maïs heeft het bijkomende risico dat het zijn stuifmeel met de wind verspreidt en dus niet-gewijzigde maïs in de omgeving kan bestuiven. Golden rice, een rijstvariëteit met een ingebracht gen voor vitamine A, is na vrijwel 20 jaar nog altijd niet op de markt.

 

Welke rol speelt fair trade?

Fair trade beperkt zich vooral tot industriële teelten zoals koffie, cacao en bananen waarvoor er een wereldmarkt bestaat. En die markt bevat maar weinig voedingsgewassen. Zo wordt er wereldwijd jaarlijks 600 miljoen ton rijst geproduceerd. Daarvan wordt er maar 25 miljoen ton verhandeld terwijl vrijwel alle cacao op de wereldmarkt terecht komt.

Fair trade helpt dus enkel die boeren die naast hun voedselteelt ook een industrieel gewas telen. Zij zien zeker hun inkomen stijgen. Daarnaast heeft fair trade toch een onrechtstreeks effect doordat het ‘eerlijke principes’ tot bij de boer en de boerin brengt.

 

Gaat de landroof nog steeds verder?

Nog steeds kopen buitenlandse consortia – onder meer uit China – regeringen uit die niet geïnteresseerd zijn in landbouw maar wel in geldgewin. Door land te verhuren of te verkopen aan het buitenland nemen ze grond uit productie voor de eigen boeren. Vaak betreft het vrij vruchtbare gronden.

En dan te bedenken dat boeren vaak maar over kleine percelen beschikken, onder meer omdat het land na overerving onder de kinderen verdeeld werd. Bovendien zijn de landrechten zo onduidelijk dat boeren niet weten hoelang ze hun land zullen mogen gebruiken. Daardoor zijn ze niet geneigd om voluit in hun land te investeren.

 

Agrobiodiversiteit – de diversiteit aan variëteiten – speelt een cruciale rol in de aanpassing aan de klimaatverandering.

Hoe kan het Zuiden zich voorbereiden op de klimaatverandering?

Op veel plaatsen in de tropen zal dat grote gevolgen hebben. Maar de modellen zijn niet unisono. Zo is het nog lang niet duidelijk of het noorden van Senegal nu natter of droger zal worden. De lokale voorlichtingsdiensten moeten landbouwers begeleiden om hun teeltmethodes aan te passen.

Daarbij speelt agrobiodiversiteit – de diversiteit aan variëteiten – een cruciale rol. Het Internationaal Rijstinstituut (IRRI) bewaart 150.000 rijstvariëteiten. Daarvan worden er nog 40.000 geteeld. We beschikken dus nog over een enorm reservoir. Sommige kunnen heel goed tegen overstroming, andere zijn goed bestand tegen droogte. Zo kunnen de verantwoordelijke genen bijvoorbeeld ingekruist worden in goed renderende variëteiten.

 

Wordt de agrobiodiversiteit voldoende bewaard?

Er gaat veel verloren. In de VS waren er 100 jaar geleden 90 variëteiten van asperge, nu nog maar één. Hopelijk zitten die 89 andere ergens in een collectie.

Van de grote teelten – rijst, aardappelen, maïs, … – worden genenbanken bijgehouden in de internationale landbouwonderzoeksinstellingen. Zo worden in Leuven bananen bewaard bij INIBAP. Maar onder meer het Nagoya-protocol, dat de toegang tot genetische bronnen regelt, bemoeilijkt de uitwisseling van genetisch materiaal. Het vrije verkeer zou in feite gegarandeerd moeten blijven, zodat onderzoeksgroepen in het Zuiden dat genetisch materiaal kunnen blijven gebruiken.

 

Hoe kunnen grote verliezen na de oogst vermeden worden?

Er bestaan traditionele methodes om oogsten te bewaren. In Ethiopië bijvoorbeeld bewaarden ze sinds oudsher hun voorraden in een gat in de grond dat ze daarna hermetisch dichtten. Zo bleef de voorraad tot 5 à 7 jaar later goed. Of je kan sorghum en gierst met as mengen. De silicium in de as beschadigt de dekschilden van insecten en voorkomt zo insectenvraat.

Maar vaak moesten die oude technieken plaats maken voor modernere technieken: frigo’s of sproeien met schimmeldodende stoffen. Dure oplossingen die de boeren in een afhankelijkheidspositie brengen.

Een interessante oplossing vormt wel de neemboom uit India. Daar kunnen gemakkelijk en vrij goedkoop bio-insecticiden uit gehaald worden. Maar om dat echt rendabel te maken, heb je infrastructuur nodig: laboratoria om de extracten te drogen, frigo’s… En wie kan dat voorzien?

We botsen dus eens te meer op een socio-economisch probleem: de technieken zijn gekend maar hoe zorgen we ervoor dat de mensen ze ook kunnen gebruiken?

 

Als mensen welstellender worden, eten ze meer vlees. Zal dat niet voor problemen zorgen?

De middenklasse groeit inderdaad, zeker in India en China. Ze zoeken daar al variëteiten van sorghum en gierst die als veevoeder gebruikt kunnen worden. Die komen dan in concurrentie met de variëteiten voor menselijk gebruik.

En dat vormt zeker een probleem. De productie van vlees en zuivel is nu eenmaal een omweg om voedsel te bekomen. Dierlijke voeding heeft 4 à 10 keer meer oppervlakte nodig in vergelijking met een gelijkaardige hoeveelheid plantaardige voeding. De shift naar meer dierlijk voedsel zal dus zeker meer druk op de gronden zetten.

 

Legt de vergrijzing van de boerenstiel een hypotheek op de voedselproductie? En wat kan er gedaan worden aan de bevolkingsgroei?

De jongeren in het Zuiden hebben inderdaad weinig perspectief als landbouwer. De overheid zelf toont immers geen interesse voor de kleine landbouwer en op het platteland ontbreken elektriciteit en het essentiële comfort. Veel jongeren trekken liever naar de steden.

Aan de bevolkingsgroei valt weinig te doen omdat het fundamenteel een armoedeprobleem is. Zolang er geen sociaal vangnet bestaat, kan je de mensen niet uitleggen waarom ze minder kinderen zouden hebben. Hun kinderen vormen een soort verzekering. Je kan de mensen wel bewuster maken zodat ze voor minder kinderen kiezen.

Als we de mensen in het Zuiden willen blijven voeden, moeten de regeringen dringend aandacht besteden aan hun kleine landbouwers. Dat vergt niet noodzakelijk veel geld, omdat de (eenvoudige) oplossingen meestal gekend zijn.

Boerinnen aan het werk op hun perceel in Rwanda
© Shutterstock

Het besluit van Van Damme is overduidelijk: als we de mensen in het Zuiden willen blijven voeden, moeten de regeringen dringend aandacht besteden aan hun kleine landbouwers. Dat vergt niet noodzakelijk veel geld, omdat de (eenvoudige) oplossingen meestal gekend zijn. Een dure hoogtechnologische aanpak valt zelfs eerder negatief uit voor de boeren omdat het hen afhankelijk maakt van grootindustrie.

Het heeft ook geen zin om kleine boeren te vlug te laten produceren voor de markt. Het is belangrijk om eerst een stevige basis te bouwen zodat ze zelfredzaam kunnen zijn. Degelijke voorlichtingsdiensten en landbouwkundig (basis)onderzoek zijn daartoe essentieel. Een betere ondersteuning van de kleine boeren zou meteen de plattelandsvlucht van jongeren tegengaan.

Voedselzekerheid Landbouw Klimaat
Terug Mens
Imprimer
Over hetzelfde thema - Artikel 2 /7 Van Mars tot Congo, de onverwachte toepassingen van spirulina