Hoe overleven Peruaanse aardappelboeren?

Freija Poot
07 juni 2018
De kleinschalige boeren in Peru worden geconfronteerd met heel wat problemen zoals klimaatverandering, commerciële uitdagers en een gebrekkig overheidsbeleid. Trias wil de situatie aanpakken.

Boeren staan voor hete vuren

Peru produceert de meeste aardappelen in Latijns-Amerika: ongeveer 4,6 miljoen ton per jaar. De aardappelteelt ligt er vooral in handen van kleinschalige landbouwers in de hooggebergten. Maar die kunnen moeilijk optornen tegen commerciële uitdagers in de kuststreek die de teelt professioneler aanpakken. Per hectare oogst de kleinschalige landbouwer hooguit 15 ton aardappelen tegenover 60 ton voor de conventionele landbouw. De grond van de kleine boeren verdraagt immers geen machines waardoor er veel handarbeid aan te pas komt. Bovendien krijgen de kleine boeren geen eerlijke prijs voor hun product. En dan hebben ze nog eens af te rekenen met de klimaatverandering. De hogere temperaturen en de uitdrogende grond verminderen de oogst die ook aan kwaliteit verliest. Ook neemt het aantal plagen en ziektes toe, waardoor de boeren steeds hoger in de Andes trekken. Op 30 jaar tijd kweken ze hun aardappelen al meer dan 1000 meter hogerop. De voedselzekerheid en het inkomen van Peruaanse families staan op het spel.

 

Dromen krijgen kansen

Een beter overheidsbeleid is cruciaal: meer middelen voor onderzoek, promotie van landbouw, betere infrastructuur, technische kennis en zaadcertificering. Maar de ngo Trias wil daar niet op wachten. Ze doet er alles aan om de situatie van de Peruaanse aardappelboeren te verbeteren. De organisatie steunt de coöperatie Coopagros, die heel wat acties op poten zet. Deze vereniging organiseert opleidingen voor aardappeltelers, onder meer over hoe ze efficiënt meststoffen kunnen inzetten. Naast teeltbegeleiding biedt ze ook microkredieten aan en exploreert ze nieuwe afzetmarkten. De coöperatie beschikt ook over een eigen winkel waar de boeren allerlei materiaal aan een lagere prijs kunnen aanschaffen.

Per hectare oogst de kleinschalige landbouwer hooguit 15 ton aardappelen tegenover 60 ton voor de conventionele landbouw.

Chuñofabriek

De Inca’s vriesdrogen hun aardappelen al eeuwenlang. Het bevriezingsproces start door de aardappelen in de hoogvlakte over de grond uit te spreiden. Vervolgens leggen de boeren de knollen in een rivier om ze te wassen en verkleuring te voorkomen. Ten slotte worden ze met de voeten gemasseerd om het vocht te verwijderen en dan opnieuw uitgespreid. Het resultaat zijn de ‘chuño’s’, gevriesdroogde aardappelen die tot 10 jaar bewaren.

Coopagros zorgde voor een primeur: de oprichting van een chuñofabriek. Die beschikt over een vrieskamer waarin de aardappelen traag ingevroren worden. Acht leerlingen van het VTI in Torhout ontwierpen deze vrieskamer. De boeren kunnen nu een heel jaar lang gevriesdroogde aardappelen produceren terwijl dat vroeger enkel gedurende de koude maanden juni, juli en augustus kon. Bovendien kunnen ze nu vriesdrogen onafhankelijk van het opwarmend klimaat. Daardoor krijgen ze meer inkomenszekerheid en staan ze sterker tegenover de commerciële concurrentie. Een grote stap voorwaarts! Voor gewone aardappelen krijgen de boeren slechts 15 eurocent per kilo terwijl de gevriesdroogde 2,6 à 3,5 euro opleveren.

Door aardappelen te verwerken en de toegevoegde waarde bij de boerenfamilies te houden, wordt het voor jongeren interessanter om het platteland niet definitief achter te laten. Naast hun studies spitsen ze zich toe op de aardappelactiviteit in het dorp van hun ouders, zolang deze maar rendabel is.

Dossier aardappelen

Peruaanse boeren triëren aardappelen
© CIP
Voedselzekerheid Aardappel
Terug Economie
Imprimer
Over hetzelfde thema - Artikel 7 /6 Van Andes tot frituur