HONGER IN EEN WERELD VAN OVERVLOED

Chris Simoens
01 mei 2011
Ondanks ons hoogtechnologisch kunnen en de aloude kennis en ervaring, slagen we er niet in iedereen te voeden. Weer slaan de voedselprijzen op hol. Ze betekenden een niet te verwaarlozen vonk voor de volksopstanden in de Arabische landen. En toch is er genoeg voedsel voor iedereen. Waarom is het zo moeilijk de honger uit de wereld te helpen?

Om deze vraag te beantwoorden kunnen we een andere vraag stellen: wie zijn het miljard mensen dat vandaag nog steeds honger lijdt? Verrassend genoeg zijn ruim 70% van hen zelf boeren, landloze landarbeiders en herders die op het platteland wonen in ontwikkelingslanden. De overigen leven in sloppenwijken. Ze kwamen er terecht omdat het platteland hen als boer geen toekomst bood.

Zeker 500 miljoen boeren beschikken hooguit over een hak om het land te bewerken. Dit zijn 80% van de boeren in Afrika en 40-60% van de boeren in Azië en Latijns-Amerika. Ze hebben geen trekdier, laat staan een tractor. Ook voor pesticiden, kunstmest en verbeterde zaden hebben ze geen geld. Ze kweken voedsel voor eigen gebruik, en verkopen slechts het overschot, als dat er al is. Bij de minste tegenslag – een plaag, slecht weer - zijn ze de dupe.

EEN RECEPT VOOR HONGER

Ongelijkheid

Aan de basis van het probleem ligt een ongelijke evolutie in Noord en Zuid. Aan het begin van de 20ste eeuw produceerden de meeste boeren 1 ton graan per arbeidskracht. De meest geavanceerde boeren – met de eerste machines nog door dieren getrokken - haalden 10 ton. Sindsdien heeft de motor van de industriële landbouw zich in gang gezet. Eerst in de VS, na de Tweede Wereldoorlog ook in Europa. De ingrediënten waren: mechanisatie, kunstmest, pesticiden, specialisatie, verbeterde variëteiten, grootschaligheid… Vandaag haalt die industriële landbouw 500-2000 ton per arbeidskracht, terwijl de arme boeren in het Zuiden nog steeds met de hand werken. De verhouding ligt nu dus op 1/2000.

Met de opkomst van het moderne transport – grote schepen, vliegtuigen, snelwegen… - kon voedsel bovendien steeds sneller en in grote hoeveelheden naar alle hoeken van de wereld gevoerd worden. Gekoppeld aan de vrijmaking van de internationale handel ontstond één wereldmarkt voor voedsel. De voedselprijzen werden voortaan op wereldniveau bepaald, waarbij vooral de granen de prijzen trekken. En omdat de industriële landbouw in het Noorden massaal granen aanbood, zakten de voedselprijzen aanzienlijk. Resultaat: ook de kleine boer met hak in Afrika kreeg slechts een magere prijs voor zijn oogst.

Voor Europa was het nieuwe landbouwbeleid een succes. De prille Europese Gemeenschap van na WOII wilde immers hongersnoden vermijden. Hierin is ze geslaagd. Maar om dit te bereiken bood zij hun boeren wel hogere prijzen dan de wereldmarkt. Bovendien gebeurde de overgang naar grootschaligheid geleidelijk. Kleine boeren die uit de landbouw stapten, vonden werk in de industrie en de dienstensector. Of ze kregen een werkloosheidsuitkering in afwachting van een job.

Neerwaartse spiraal

De kleine boer in het Zuiden heeft geen uitstapopties. De confrontatie met de industriële landbouw was er veel brutaler, en de overheid verwaarloosde er zijn boeren. Een wanhopige strijd begon.

Omdat het niet meer loonde voedsel op de markt te brengen, schakelde de boer geheel of gedeeltelijk over op tropische gewassen die de rijke landen niet kunnen telen. Voedsel produceerde hij in de eerste plaats voor zichzelf. Hierdoor ontstonden binnenlandse tekorten. Ontwikkelingslanden werden genoodzaakt voedsel in te voeren om hun groeiende stadsbevolking te voeden.

Maar de keuze aan tropische gewassen werd steeds beperkter. Voor suikerriet bestaat het alternatief van de suikerbiet, rubber kan vervangen worden door synthetische stoffen, katoen kan ook in het zuiden van de VS gekweekt worden, enzovoort. Bleven over: koffie, cacao, thee, ananas, bananen, …

Deze culturen konden dan weer niet op tegen de gemechaniseerde grote plantages, overblijfselen van de koloniale tijd, vaak in handen van buitenlandse firma’s. Bovendien stortten zich zo veel kleine boeren op deze tropische gewassen dat de prijzen ook hiervoor te laag werden om leefbaar te zijn.

Een laatste uitweg was de bevoorrading van de steden. Daar vulden de sloppenwijken zich steeds meer met boeren die het platteland ontvluchtten. En zij hebben voedsel nodig. De stad is dus een afzetgebied van verse producten, die minder geschikt zijn voor export: groenten, fruit, melk, eieren. Jammer genoeg hebben ook de stedelingen bij gebrek aan arbeidskansen weinig geld, en knaagt de uitbreidende stad aan de landbouwgrond. De boeren moesten zich verderaf vestigen. Stilaan werden de vervoerskosten te hoog om het voedsel met winst te kunnen verkopen.

Om het hoofd boven water te houden, verhandelt de boer bijvoorbeeld grond, of hij beperkt drastisch zijn consumptie. Maar sommige uitgaven blijven onvermijdelijk: zout, schoenen, geneesmiddelen, schoolgerief… Om toch enig inkomen te hebben verkoopt de boer meer van zijn schamele oogst, zodat hij onvoldoende voor zichzelf overhoudt. Als zijn voorraad op is, moet hij nu zelf voedsel kopen. Soms is hij zo verarmd dat hij zelfs geen lening meer kan krijgen. Het eindresultaat van deze neerwaartse spiraal is honger of de vlucht naar de steden. Sommigen wagen zich nog aan culturen zoals hennep, papaver of coca.

BOEREN ZONDER HONGER

Hogere voedselprijzen

Om werkelijk de honger uit de wereld te helpen, moeten boeren in het Zuiden kansen krijgen. Voldoende hoge prijzen voor de oogst vormen een sleutelelement. Maar waarom veroorzaken de hoge voedselprijzen in 2008, en ook weer vandaag, dan zoveel rellen?

We onderscheiden hier twee groepen. Vooreerst zijn er sloppenwijkbewoners van de grote steden. Ze zijn als ontmoedigde boer of landarbeider van het platteland gevlucht of er geboren als kinderen van plattelandsvluchters. Overleven doen ze veelal met informele jobjes: allerlei waren venten (sigaretten, batterijen, nootjes, snoep, noem maar op), schoenen poetsen, auto’s bewaken, prostitutie… Omdat ze 50 à 80% van hun budget aan voedsel besteden, kunnen ze de hoge voedselprijzen niet aan[1]. Voor de jongeren die in armoede geboren zijn, wordt de uitzichtloosheid stilaan ondraaglijk. Een kleine vonk is voldoende om de opgestapelde onvrede en frustratie te doen exploderen.

Een tweede groep zijn de kleine landbouwers. Ze hebben inderdaad hogere, eerlijke prijzen nodig, maar niet de abrupt hoge prijzen zoals we die nu kennen. Veel verarmde boeren moeten immers zelf een gedeelte van hun voedsel aankopen. Ze kunnen geen reservevoorraden aanleggen – de opslagruimte ontbreekt – om deze pas te verkopen als de prijs interessant is, bijvoorbeeld tijdens het tussenseizoen. Bovendien zijn ze als onwetende boeren een gemakkelijke prooi voor gewiekste opkopers die een te lage prijs betalen. Als ze al een karige winst boeken met hun kleine oogst, dan volstaat dit niet om te investeren in hogere productiviteit. De voedselprijs is immers gekoppeld aan de olieprijs. Hierdoor zijn meststoffen en transport duurder.

Best is de voedselprijs geleidelijk op te voeren. Dit geeft landbouwers de kans hun productiviteit langzaamaan op te drijven. Sloppenwijkbewoners hebben dan wel een sociaal opvangnet nodig. Zo zou de overheid in plaats van goedkoop voedsel in te voeren (wat ook budgetgeld kost), hen voedselbonnen kunnen geven. Hiermee kunnen ze dan zelf voedsel kopen op de binnenlandse markt.

 

[1] Ter vergelijking: in België besteedt een gezin gemiddeld 13 à 14% van zijn budget aan voedsel. Na WOII was dit nog ongeveer 40%.

Man plukt koffibessen
© Nestlé

Stabiele voedselprijzen

Er is ook nood aan stabiele prijzen. Als de prijzen sterk schommelen, weet de landbouwer immers niet hoe hij het best investeert. Tegen de tijd dat de oogst binnen is, is die misschien alweer nauwelijks iets waard. En kleine boeren kunnen daar geen verzekeringen voor afsluiten.

Maar in het huidige systeem zijn schommelingen moeilijk te vermijden. De voedselprijzen volgen de laatste jaren meer en meer de olieprijzen. Enerzijds worden bij een hogere olieprijs transport en kunstmest duurder. Anderzijds is het interessanter om in biobrandstoffen te investeren. Bijgevolg wordt meer landbouwgrond ingenomen door gewassen die als basis dienen voor biobrandstoffen, en dus niet voor voedsel.

Financiële speculatie verergert de prijsschommelingen. Na de crisis van 2008 waren vastgoed en financiële producten geen interessante opties meer voor speculanten. De grondstoffenmarkt, met inbegrip van granen en grond, vulde de leemte. Speculanten hebben geen interesse in het goed dat ze verhandelen. Ze zijn slechts uit op winst. Zo kunnen ze – virtueel, zonder over opslagruimtes te beschikken – grote hoeveelheden tarwe opkopen met de verwachting van een prijsstijging. Ze kunnen zelfs doelbewust een schaarste op de markt creëren om de prijzen te doen stijgen. Als de prijs voldoende hoog is, verkopen ze met hoge winst.

Speculatie verstoort dus de normale marktwerking van vraag en aanbod. Het evenwicht tussen beide zet normaliter de prijs. Bij gering aanbod stijgen de prijzen. Net zoals de financiële markten sinds de crisis, moet ook de grondstoffenmarkt gecontroleerd worden. Zodat men weet wie wat koopt en verkoopt, en men onzinnige, virtuele transacties vermijdt. Andere maatregelen zijn: grotere voedselvoorraden, een belasting op speculatie op landbouwproducten of het beschermen van de interne markt van een land of regio tegen invoer aan dumpingprijzen.

Agro-ecologische aanpak

Welk soort landbouw helpt het best de kleine boer? Omdat kunstmest en pesticiden duur zijn en schadelijk voor het milieu, ijveren meer en meer stemmen voor een goedkope agro-ecologische aanpak. Een dergelijke aanpak streeft zoveel mogelijk een natuurlijk evenwicht na om ziekten en plagen te voorkomen. Bovendien herbruikt ze alles zodat weinig externe input nodig is. De strikt ecologische landbouw vermijdt zelfs elk scheikundig product. Ecologische voeding is daarom gezonder, en boeren en bodem varen er wel bij.

Randvoorwaarden

Een eerlijke prijs en een ecologische aanpak helpen de landbouwer vooruit. Maar het blijft onvoldoende om armoede en honger uit de weg te ruimen. Zo is er nood aan officieel erkende eigendomsrechten over het land dat hij/zij bewerkt (en een rechtvaardiger landverdeling), gelijke rechten voor vrouwen (heel veel boeren zijn eigenlijk boerinnen!!), opleiding, wegen en markten om de waar aan de man te brengen, mogelijkheden voor voedselverwerking, en toegang tot krediet, eenvoudige mechanisatie, mest en kwaliteitszaad. Via coöperaties verwerven boeren een sterkere onderhandelingspositie tegenover opkopers en kunnen ze gezamenlijk bijvoorbeeld machines en zaden aankopen. Om dit mogelijk te maken moet de overheid in haar beleid eindelijk aandacht besteden aan landbouw.

Twee vrouwen verkopen de overschotten van hun oogst in de stad, als laatste uitweg voor een inkomen.
© Nick Cordell

DE UITDAGING VAN 9 MILJARD

In 2050 zullen er wellicht 9 miljard mensen zijn. Volgens de VN-Voedsel- en Landbouworganisatie FAO moet de voedselproductie met 70% stijgen om hen te kunnen voeden. Kunnen we dit halen door uitsluitend de kleine boeren vooruit te helpen?

De kleinschalige, ecologische aanpak pakt in elk geval het hongerprobleem bij de wortels aan. De opbrengst per hectare is zelfs groter dan die in de industriële landbouw! Dit komt onder meer door de grote waaier aan gewassen. Binnen 5 à 10 jaar kan de ecologische landbouw de voedselproductie in ontwikkelingslanden verdubbelen.

Verlies na de oogst moet vermeden worden. Bij gebrek aan opslagruimte en mogelijkheden voor verwerking gaat in het Zuiden minstens 12% van het voedsel verloren, voor fruit en groenten zelfs tot 50%! In het Noorden gooien supermarkten en consumenten (spotgoedkoop) voedsel weg. De voedselverspilling in België bedraagt jaarlijks 660.000 ton, 7,4% van het verbruik.

De hoge voedselprijzen hebben mee de demonstraties in Tunesië (januari 2011) uitgelokt. De directe vonk was de wanhoopsdaad van Mohammed Bouazizi, die zichzelf in brand stak. Bouazizi was een jonge straatventer van fruit en groenten die met moeite zijn familie kon onderhouden.

Protesterende Tunesiërs komen massaal op straat
© Nasser Nouri

De uitdagingen blijven hoe dan ook enorm. Zo zal klimaatverandering – nu al merkbaar – steeds meer zorgen voor grote droogtes, overstromingen, stormen… Dat kan oogsten en landbouwgrond vernietigen. Er zal ook veel water nodig zijn om het land te bevloeien. Een groeiende vraag naar biobrandstoffen zal beslag leggen op steeds meer landbouwland. Om nog te zwijgen over landen met onvoldoende eigen voedselproductie zoals Saoedi-Arabië die op zoek gaan naar enorme lappen grond in ontwikkelingslanden. Alleen al in 2009 legden die beslag op 45 miljoen hectare land, zowat de grootte van Frankrijk. En een toenemende middenklasse in opkomende economieën – zoals nu al in China en India – eet meer vlees en zuivel. Vleesproductie verspilt landbouwland. Zo kan een akker die als grasland 330 kg vlees opbrengt, ook 40.000 kg aardappelen produceren.

De ecologische landbouw is alvast milieu- en klimaatvriendelijk. Door haar zorg voor een humusrijke bodem en gebruik van bomen bespaart ze water en slaat ze CO2 op. Maar ook industriële landbouw heeft een rol te spelen. Alleen mag zij geen oneerlijke concurrentie aangaan met de kleine boeren in het Zuiden en moet zij milieuvriendelijk worden. Het moderne landbouwonderzoek – met zijn aangepaste variëteiten, zuiniger bevloeiingstechnieken en zo meer – zal samen met de traditionele kennis broodnodig zijn om in 2050 de honger te lenigen.

Zonder aandacht voor de kleine boer kunnen we het hongerprobleem niet oplossen. Vandaag kunnen we genoeg voedsel kweken voor iedereen. Maar door de diverse uitdagingen wordt het aartsmoeilijk om de 9 miljard mensen in 2050 te voeden. Jij en ik kunnen er wel iets aan doen. Geen voedsel weggooien, minder vlees eten, energiezuinig leven, ecologisch tuinieren, organisaties steunen die boeren bewust maken… Het helpt. Om met Gandhi te eindigen: "There is enough for everyone’s need, but not for everyone’s greed."[1]

 

[1] Er is genoeg voor ieders behoefte, maar niet voor ieders hebberigheid.

Landbouw Voedselzekerheid Voeding
Terug Economie
Imprimer