Kledingvakbonden in de bres voor waardig minimumloon in Cambodja

Jeroen Roskams - Wereldsolidariteit/Solidarité Mondiale
01 april 2016
Cambodja is in Europa vooral gekend voor het prachtige tempelcomplex Angkor Wat en voor zijn gruwelijke genocide tijdens de jaren ’70. Minder gekend is dat het land een belangrijke toeleverancier is voor grote westerse kledingketens. Wereldsolidariteit, de ngo van de christelijke arbeidersbeweging in België, ondersteunt haar syndicale partners CLC en C.CAWDU in hun moeizame strijd voor menswaardige werkomstandigheden en waardige lonen (1).

 

Cambodja is één van de Minst Ontwikkelde Landen in de wereld. Het land staat 136e op de ranglijst van de Index van Menselijke Ontwikkeling van de VN en behoort daarmee tot één van de armere landen uit de regio. In het midden van de jaren ‘90 gooide Cambodja haar economie open. Toen de Verenigde Staten en de Europese Unie voorkeurtarieven en quota voor textiel invoerden, werd gebracht, kende de kledingproductie een enorme groei. Onder impuls van internationale kledingketens als H&M, C&A en Walmart -op zoek naar goedkope, laaggeschoolde arbeidskrachten - stroomden de investeringen het land in. Zo ontwikkelde de kleding- en sportschoenenproductie zich tot een belangrijke sector die vandaag aan zo’n 700.000 Cambodjanen werk verschaft. De overgrote meerderheid van hen zijn vrouwen jonger dan 30 jaar.

Cambodjaanse kledingarbeidsters leiden een weinig rooskleurig leven. Met een minimumloon van 140 dollar moeten ze maandelijks trachten de eindjes aan elkaar te knopen. Nochtans wijst een studie, nota bene uitgevoerd in opdracht van de Cambodjaanse overheid, uit dat een minimumloon van 177 dollar nodig is om aan de minimale levensbehoeften te kunnen voldoen. Alleen al aan voeding geeft een kledingarbeidster meer dan 60% van haar loon uit. De Internationale Arbeidsorganisatie toonde in 2014 aan dat 43% van de Cambodjaanse kledingarbeidsters aan bloedarmoede lijdt en dat 15% een te laag gewicht heeft. Door de lage minimumlonen zijn de arbeiders genoodzaakt overuren te presteren. In de fabrieken vallen werknemers geregeld flauw door een gebrek aan gezonde voeding, verluchting en verlichting, door uitputting en door gebruik van schadelijke chemische producten. Bovenop de maandelijkse voedingskosten moeten de arbeiders in de hoofdstad Phnom Penh dan nog eens overdreven hoge huurkosten betalen die huisjesmelkers aan de arbeiders vragen.

Cambodjaanse kledingarbeidsters leiden een weinig rooskleurig leven. Met een minimumloon van 140 dollar moeten ze maandelijks trachten de eindjes aan elkaar te knopen.

De Cambodjaanse vakbond CLC en haar kledingfederatie C.CAWDU (2) klagen al jaren moedig de erbarmelijke en onveilige werkomstandigheden in de kledingfabrieken aan. Beide vakbonden zijn partnerorganisaties van Wereldsolidariteit en worden, onder meer dankzij de bijdrage van Belgische Ontwikkelingssamenwerking, ondersteund in hun strijd voor eerlijke werkomstandigheden, voor een hoger minimumloon en voor een betere sociale bescherming.

C.CAWDU telt meer dan 80.000 leden in de kleding- en schoenindustrie en is daarmee de grootste politiek onafhankelijke werknemersorganisatie in het land. Vakbondswerk in de kledingsector in Cambodja blijft echter moeilijk en gevaarlijk. De meerderheid van de kledingarbeidsters wordt tewerkgesteld met een contract van bepaalde duur, waardoor ze zich slechts moeizaam syndicaal engageren. Velen vrezen immers dat ze geen verlenging van hun contract zullen krijgen als ze in het bedrijf actief vakbondsacties ondersteunen. Intimidatie van vakbondsactivisten door de werkgevers, onder meer bij stakingen en manifestaties, komt geregeld voor. Bestaande arbeids –en vakbondsrechten worden in de praktijk vaak met de voeten getreden. Daarbij komt ook nog de repressie door de politie en het overheidsapparaat.

Internationale noord-zuidactie loont

C.CAWDU heeft vooral ingezet op een substantiële verhoging van het nationale minimumloon in de kledingsector. Tijdens de laatste drie jaren kwamen vakbonden en werkgevers uit de kledingsector echter niet tot een akkoord. Telkens legde de regering daarop unilateraal het nieuwe minimumloon voor dat jaar vast. Dat loon kwam veelal wel tegemoet aan de voorstellen van de nationale werkgeversfederatie van de kledingindustrie, maar hield nauwelijks rekening met het consumptiepatroon van de kledingarbeiders en de verwachtingen van vakbondszijde voor een leefbaar loon.

Mensen aan het werk in kledingfabriek in Cambodja
© Bas de Meijer

In januari 2014 leidde dat tot een nationale staking in de kledingsector, die massaal werd opgevolgd door tienduizenden arbeiders: Tachtig procent van de werknemers nam deel aan de actie en 127 fabrieken moesten hun productie stilleggen. De staking verliep vreedzaam, tot de ordediensten op vraag van een kledingfabriek de stakende arbeiders te lijf ging met ijzeren staven, metalen buizen, messen en machinegeweren. Vijf manifestanten kwamen daarbij om, 39 raakten gewond, 23 werden opgepakt en later ook mishandeld. Om verder geweld te vermijden en om te vermijden dat hun leiders achter de tralies zouden verdwijnen, zijn C.CAWDU en CLC sindsdien overgeschakeld op symbolische acties waarbij het werk voor korte tijd werd stilgelegd. Dat kreeg bovendien internationale steun van vakbonden, het Internationaal Vakverbond (IVV), de Clean Clothes Campaign (CCC) en van Wereldsolidariteit. Zo vonden op 17 september 2014 in tientallen steden over de hele wereld acties plaats aan kledingwinkels en aan de Cambodjaanse ambassades met een duidelijke vraag: ’Is 177 dollar maandloon voor de Cambodjaanse kledingarbeidsters echt te veel gevraagd?

De protestacties wierpen slechts gedeeltelijk hun vruchten af. Kong Athit, vice-president van C.CAWDU, stelt: ‘De laatste verhoging van het minimumloon met 12 dollar, van 128 naar 140 dollar, is slechts een peulschil. Verre van voldoende om van een leefbaar loon te spreken. Maar de werkgevers en de overheid houden ons steeds voor dat het minimumloon niet hoger mag zijn, omdat ze vrezen dat de kledingmerken anders hun afnemers zouden zoeken in Vietnam of Birma.’

Zijn voorzitter Ath Thorn voegt daaraan toe: ‘Internationale kledingmerken blijven de kleine winstmarges van de lokale kledingfabrieken onder druk zetten. Het is hoog tijd dat de merken hun verantwoordelijkheid nemen en het probleem aanpakken dat de oorzaak is van de vele protesten: het uitblijven van een leefbaar loon. Een loonsprong naar 177 dollar is een stap in die richting.’

 

De laatste verhoging van het minimumloon met 12 dollar, van 128 naar 140 dollar, is slechts een peulschil. Verre van voldoende om van een leefbaar loon te spreken.

Kong Athit - vice-president van C.CAWDU

Via haar campagne voor een hoger minimumloon blijft C.CAWDU de druk opvoeren op de lokale fabriekseigenaars, de Cambodjaanse overheid én de internationale kledingmerken. De campagne wordt in eerste instantie gevoerd via een nationaal samenwerkingsverband van 6 Cambodjaanse kledingvakbonden, waarvan C.CAWDU de aansturing doet. Maar ook het internationale samenwerkingsverband van vakbonden als het ACV, het IVV en internationale kledingvakbonden, CCC en Wereldsolidariteit vormt een cruciaal onderdeel van de strategie. De campagne richt zich tot acht kledingmerken (H&M,C&A, Inditex, Walmart, Puma, Adidas, Gap en Levi’s) om hen aan te sporen hun prijsbeleid en aankooppraktijken aan te passen om een leefbaar loon mogelijk te maken en ook te blijven investeren in Cambodja. Een mogelijke volgende stap vormt een nieuw soort internationaal akkoord tussen deze kledingmerken en de lokale en internationale vakbonden over leefbare lonen in de kledingindustrie in Cambodja. Een dergelijk akkoord is de beste manier om multinationale spelers tot de orde te roepen en enkele basisafspraken vast te leggen voor hun toeleveringsketen.

(1) Naast WSM is ook Oxfam actief in Cambodja, als partner van CLC.

(2) CLC: Cambodian Labour Confederation; C.CAWDU: Coalition of Cambodian Apparel Workers Democratic Union

Waardig werk Vakbonden Cambodja
Terug naar dossier
Imprimer
In dezelfde categorie - Artikel 29 /39 Slavernij in de 21ste eeuw