Noodhulp in nood

Chris Simoens
01 april 2016
Vandaag hebben de Verenigde Naties de leiding over een complex systeem dat wereldwijd instaat voor noodhulp. Hoe is het ontstaan? Hoe werkt het? En voor welke uitdagingen staat het?

 

HISTORIEK

De mens was altijd al onderhevig aan natuurrampen en conflicten. Het leven was hard voor onze voorouders. Mensen in nood kregen hulp van de familie of de clan. Ook de godsdiensten (christendom, islam, hindoeïsme…) zetten aan tot liefdadigheid.

 

19de eeuw: het Rode Kruis

Echt georganiseerde noodhulp (of ‘humanitaire hulp’) ontstaat pas in de 19de eeuw. De Zwitser Henri Dunant kon de verschrikkingen van de Slag bij Solferino (1859) niet aanzien. Maar liefst 40.000 soldaten bleven dood of gewond achter op het slagveld. Samen met vrouwen uit de plaatselijke dorpen verzorgde hij de gewonden van beide kanten. Later legde hij de basis voor de Beweging van het Rode Kruis, tot op vandaag de meest toonaangevende humanitaire speler.

In dezelfde periode woedden er ook enorme hongersnoden door mislukte oogsten in Ierland (1845) in India (1876). Daardoor groeide het bewustzijn dat hulpverlening nodig was. Enkel uit mededogen? Of ook om sociale onrust te vermijden? Of vanuit een verlangen naar een rechtvaardiger maatschappij? Allicht betrof het een mengeling van deze motieven.

 

De twee Wereldoorlogen

De twee Wereldoorlogen leidden tot een nóg grotere horror. Veel mensen voelden de noodzaak het onnoemelijke lijden te verzachten. De organisatie Save the Children zag het daglicht tijdens WOI, Oxfam en Care tijdens WOII. Save the Children was het prototype van de niet-gouvernementele organisatie (ngo) zoals we die vandaag kennen.  Het verdeelde op grote schaal materiële hulp, voerde campagnes om geld in te zamelen en probeerde het beleid te beïnvloeden.

 

1945-1990: ontstaan van het humanitaire systeem

Na WOII werd de basis gelegd van het huidige internationale humanitaire systeem. Dan zagen de  Verenigde Naties (VN) het daglicht, een orgaan waarin alle landen met elkaar konden overleggen. In 1946 ontstond de voorloper van het VN-Kinderfonds (UNICEF), dat zich aanvankelijk bekommerde om hongerlijdende kinderen van WOII. In 1948 volgde de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO), in 1950 het VN-Hoog Commissariaat voor Vluchtelingen (UNCHR) en in 1961 het Wereldvoedselprogramma (WFP).

Een aantal conventies omschreven de basisnormen voor de internationale humanitaire hulp: de VN-Verklaring voor de Rechten van de Mens (1948), de 4 Conventies van Genève (1949) en de Conventie over het Statuut van Vluchtelingen (1951 en 1967). De 4 Conventies van Genève stippelen het internationaal recht uit voor een humanitaire (menselijke) behandeling van gewonde en zieke strijdkrachten, krijgsgevangen en burgers in oorlogstijden. De Conventie over Vluchtelingen wil vluchtelingen beschermen die buiten hun thuisland verblijven en schonk UNHCR de bevoegdheid om de rechten van vluchtelingen wereldwijd te garanderen. Aanvankelijk richtten de conventies zich op de nasleep van WOII. Later verlegt de aandacht zich naar het Zuiden waar kolonies hun onafhankelijkheid opeisen.

In 1965 stelde het Twintigste Congres van het Rode Kruis (Wenen) 7 humanitaire principes voor. Daarvan bekrachtigde de VN de 4 meest universele: menselijkheid, onpartijdigheid, neutraliteit en onafhankelijkheid (zie verder). Hoewel niet alle organisaties de 4 principes volgen, blijven ze richtinggevend tot vandaag.

 

Arabische meid wacht op humanitaire hulp van UNICEF
© UN photo

TENDENSEN SINDS 1990

Het einde van de Koude Oorlog in 1990 luidt een nieuw tijdperk in voor de humanitaire hulp. In de 26 jaar sinds 1990 is er meer veranderd dan in de duizenden jaren voordien. We zetten de voornaamste tendensen op een rijtje.

Crisissen duren langer en komen vaker voor.

  • Complexe (politieke) noodtoestanden gaan gepaard met een afbrokkelend centraal staatsgezag, geweld tegen burgers en massale verplaatsingen van bevolkingen. Aanvankelijk in Joegoslavië, maar later ook in Oost-Congo, Soedan, Somalië en zo meer. De War on Terror – na de aanslagen in de VS op 11 september 2001 – leidde tot oorlogen in onder meer Afghanistan en Irak. De Arabische Lente in 2010 gaf aanleiding tot langdurige conflicten in Syrië, Libië en Jemen. In deze complexe conflicten spelen ‘non state actors’ (Islamitische Staat, Al-Qaeda, Al-Shabaab, Boko Haram…) een grote rol. Hoewel het Internationaal Humanitair Recht burgers beschermt tijdens conflicten, worden deze steeds vaker een doelwit. Zelfs ziekenhuizen worden gebombardeerd. Tegenwoordig spelen bijna alle conflicten zich af binnen staten, conflicten tussen staten komen nauwelijks voor.

  • Er komen meer en meer natuurrampen voor, onder meer als gevolg van de klimaatverandering (van 200/jaar in 1990 tot 400/jaar in 2013). Alhoewel minder dodelijke slachtoffers vallen, neemt het aantal ‘interne verplaatste personen’ toe. Ook de economische schade en de menselijke ellende zijn steeds aanzienlijk.

 

De VN neemt de leiding

Na de Koude Oorlog neemt de VN de taak op van vredesbehoeder. Sinds 1991 coördineert ze de humanitaire hulp via OCHA, het ‘Bureau voor de Coördinatie van Humanitaire Zaken’.

 

Ontwikkelingssamenwerking en humanitaire hulp vullen elkaar aan

In 2013 ging 78% van de humanitaire hulp naar zwakke staten met veel extreme armoede. Tegen 2020 zou twee derde van de extreem armen in zwakke en conflictgevoelige staten leven. In dergelijke omstandigheden verlenen ‘ontwikkelingsngo’s’ vaak ook humanitaire hulp. Humanitaire organisaties proberen de kwetsbaren weerbaarder te maken.

 

Het aantal hulporganisaties neemt toe

Tal van nieuwe humanitaire ngo’s zien het daglicht. Ook religieuze en zelfs militaire organisaties worden actief. Vandaag zouden er wereldwijd 4500 humanitaire ngo’s zijn. Daaronder bevinden zich zo’n 2800 nationale ngo’s. Dergelijke lokale ngo’s kennen de context beter en kunnen in geval van crisis sneller ingrijpen. Het ontbreekt hen wel soms aan expertise en hebben het soms moeilijker om neutraal te blijven.

De privésector levert geld en goederen (geneesmiddelen), maar probeert ook de aanpak van de crisissen te vernieuwen. Zo kan je met Google’s Person Finder bij een ramp familieleden en vrienden opsporen. Universiteiten organiseren opleidingen en pogen de humanitaire hulpverlening te professionaliseren. Ten slotte springt ook de diaspora (landgenoten in het buitenland) vaak bij. Zo sturen Somaliërs van over de hele wereld elk jaar 1,3 miljard dollar spaargeld (remittances) naar hun land van oorsprong.

Toch ontvingen tussen 2009 en 2013 de VN-agentschappen en de grote ngo’s nog steeds het leeuwendeel (81%) van de fondsen voor humanitaire hulp.

 

Klassieke donorlanden geven meer humanitaire hulp

Door de diverse ‘complexe politieke noodtoestanden’ na de Koude Oorlog zien de donorlanden (OESO-DAC) zich genoodzaakt meer humanitaire hulp te spenderen. Het budget humanitaire hulp, als aandeel van de Officiële Ontwikkelingshulp (ODA), stijgt van 2% in de jaren 1980 tot circa 14-15% vandaag. In België bedroeg dat 8,7% in 2015.

De Europese Commissie richtte in 1992 ECHO op, het bureau voor humanitaire hulp van de EU. Samen met de EU-lidstaten is ECHO de grootste humanitaire donor in de wereld. De EU-groep en 5 grote donorlanden (VS, Japan…) leveren meer dan twee derde van de middelen voor het humanitaire systeem.

 

Niet-Westerse hulp stijgt

Ook nieuwe donoren – vooral opkomende landen – schenken humanitaire hulp. Zo waren Brazilië en Saoedi-Arabië de top 2-donoren na de aardbevingen in Haïti. Na de overstromingen in Pakistan in 2010 gaf India de grootste bijdrage. China besteedde tussen 2005 en 2010 330 miljoen dollar. Dat vloeide onder andere naar West-Afrika (ebolacrisis, 2014) en Nepal (aardbeving, 2015). China verhoogt ook geleidelijk zijn bijdrage aan het WFP. Toch neemt het land voorlopig niet deel aan officiële structuren zoals OESO-DAC en OCHA.

Ook de regionale blokken treden meer op de voorgrond: Afrikaanse Unie, de Arabische Liga, ASEAN (Azië)… Er komen ook meer en meer Zuid-Zuidpartnerschappen. Andere voorbeelden: de Organisatie voor Islamitische Samenwerking, netwerken van de diaspora. Al deze actoren willen hun plaats en zeg krijgen.

 

De sector zoekt continu naar meer efficiëntie en hogere kwaliteit

In 2016 is ruim 20 miljard dollar nodig tegenover 3,4 miljard in 2003. Dat geld kan niet allemaal opgehaald worden. De beschikbare hulp dient dus zo doeltreffend mogelijk ingezet te worden. Daarom namen diverse netwerken van humanitaire organisaties het initiatief om standaarden uit te werken. Veelgebruikt is het handboek van Sphere, een netwerk met onder andere Caritas, Oxfam, Care en het Rode Kruis. Het handboek omschrijft de minimale standaarden voor hulpverlening op vlak van water, voedsel, gezondheid, huisvesting en sanitatie.

VN-Secretaris-Generaal Ban Ki-moon riep in 2016 de allereerste Wereldtop voor Humanitaire Hulp bijeen in Istanbul. De Top keurde onder meer de Grand Bargain goed, een akkoord met 10 punten om de hulp efficiënter te maken (zie p.). Zo wil het de lokale organisaties nauwer betrekken. Zij vullen immers de grote organisaties uitstekend aan. Er gaat ook veel aandacht naar ‘rampenparaatheid’ en naar het voorkomen van crisissen. Dat kan door te investeren in een menswaardig bestaan voor allen en door de klimaatverandering krachtdadig aan te pakken.

 

DE 4 HUMANITAIRE PRINCIPES

  1. Menselijkheid: Menselijk lijden moet aangepakt worden. De hulp moet verleend worden met respect voor de waardigheid van de slachtoffers en er moet aandacht gaan naar de meest kwetsbaren.
  1. Onpartijdigheid: Hulp wordt enkel gegeven op basis van behoefte.
  1. Neutraliteit: Geen enkele partij in een conflictsituatie mag begunstigd worden.
  1. Onafhankelijkheid: Hulp mag niet gebonden zijn aan andere politieke beslissingen of acties van donorlanden. Humanitaire hulp mag dus geen bijbedoelingen hebben zodat landen in nood niet weigerachtig staan tegenover hulp uit vrees voor verborgen agenda’s.

Deze principes blijven richtinggevend voor België en de internationale gemeenschap. Toch zijn ze niet altijd eenvoudig toe te passen. Zo mogen humanitaire spelers in de complexe conflicten van vandaag soms niet met alle partijen onderhandelen of ze worden beschermd door militairen. Dat bemoeilijkt de neutraliteit en onpartijdigheid. Voor China is het niet wenselijk dat organisaties onafhankelijk handelen van de regering. Niet-Westerse landen verlangen meer respect voor de soevereiniteit van een natie.

 

 

Belgische zegel uit 1959 ter nagedachtenis aan het eeuwfeest van het Rode Kruis
© allmunis

HET HUMANITAIRE SYSTEEM IN ACTIE

Hoe komt het humanitaire systeem in actie als ergens een crisis optreedt?

  1. In geval van natuurrampen beschikken vele landen over een early warning systeem. Zo kan men aan de hand van tegenvallende neerslag voorspellen dat de oogst later op het jaar mager zal zijn.
  1. Indien een ramp dreigt, trekken lokale organisaties of regeringen aan de alarmbel. De regeringen zelf doen officieel een oproep tot internationale hulp. Ten minste als ze de noodtoestand herkennen en de hulp van het internationale humanitaire systeem wensen.
  1. De grote VN-organisaties (WFP, UNICEF, FAO, UNHCR…), maar eventueel ook ngo’s of het Internationale Rode Kruis, doen vervolgens een eerste evaluatie van de financiële en humanitaire noden van de bevolking, met bijzondere aandacht voor de meest kwetsbaren.
  1. OCHA, verantwoordelijk voor de humanitaire coördinatie, zet vervolgens het geheel van noden om in een ‘geconsolideerde oproep’. Zo vermijdt de VN dat meerdere organisaties oplossingen zouden ontwikkelen voor dezelfde noden.
  1. De regeringen van donorlanden, waaronder België, kunnen al dan niet op een geconsolideerde oproep ingaan naargelang de beschikbare middelen en het beleid: aan welke crisis willen we als donorland de voorkeur geven? Maar een donorland kan niet op staande voet geld vrijmaken: subsidies moeten vaak tijdrovende procedures van begrotingscontrole doorlopen.

          Daarom bestaan er flexibele fondsen die jaarlijks door de donorlanden aangevuld worden. Het geld uit                de fondsen kan heel snel vrijgemaakt worden bij een nieuwe crisis.        

  1. Om de hulp beter op elkaar af te stemmen, maakt OCHA gebruik van de Cluster Approach: per sector (water, huisvesting, voedsel…) neemt één humanitaire organisatie de leiding (zie figuur). Deze coördinatie geldt niet alleen voor de VN-agentschappen maar ook voor het Rode Kruis en de ngo’s. In elk land dat door een crisis wordt getroffen, organiseert een humanitaire coördinator vergaderingen per sector om de taken te verdelen.

 

BESLUIT

Al bij al slaagt het huidige humanitaire systeem erin om veel leed te verzachten. Vandaag sterven veel minder mensen aan hongersnood of door natuurrampen dan  voor 1990, ook al gebeuren er meer rampen. Zelfs conflicten zijn minder dodelijk.

Maar de klimaatverandering en taaie conflicten zoals die in het Midden-Oosten kunnen de trend ombuigen. Daarom probeert het humanitaire systeem voortdurend zijn efficiëntie te verhogen. Van belang daarbij is dat de hulp vanuit niet-Westerse hoek ook kan aansluiten bij het mondiale systeem. En dat de internationale gemeenschap alles in het werk stelt om conflicten en natuurrampen te voorkomen.

 

Voornaamste bronnen

Time to let go – Remaking humanitarian action for the modern era (Overseas Development Institute, 2016)

Supporting peoples affected by disasters: humanitarian action, past, present and future (P. Gibbons, S. Maitra & S. Borel)

Online

www.worldhumanitariansummit.org

www.unocha.org

 

 

Humanitaire hulp
Terug Mens
Imprimer
Over hetzelfde thema - Artikel 51 /52 Een volk zonder uitweg