Vijf veel gestelde vragen over het klimaatakkoord van Parijs

Chris Simoens & Ulrik Lenaerts
30 januari 2017

1. Zijn we op de goede weg om de opwarming van de aarde af te remmen?

Het klimaatakkoord van Parijs stelde dat de opwarming van de aarde beperkt moet worden tot ruim onder de 2°C in vergelijking met het pre-industriële niveau. Als het enigszins kan, zelfs onder de 1,5°C. Vandaag kunnen we de opwarming slechts beperken tot circa 3°C als we alle inspanningen van de individuele landen samentellen. Dat is dus onvoldoende.

Het klimaatakkoord voorziet om de 5 jaar een analyse die nagaat hoever de wereld staat met de uitstoot van broeikasgassen. Dat laat toe de inspanningen bij te stellen, onder meer op basis van technologische vooruitgang. De eerste analyse vindt plaats in 2023. Wel staat in 2018 al een dialoog gepland die de vooruitgang van de nationale bijdragen onder de loep wil nemen. In hetzelfde jaar zal het Internationaal Klimaatpanel een rapport voorstellen over hoe we de opwarming tot 1,5°C kunnen beperken. De mogelijkheden bestaan dus om verder te gaan dan wat nu op tafel ligt.

Veel zal afhangen van economische wetmatigheden. Zo zijn zonnepanelen vandaag al zo goedkoop dat India zijn klimaatbeloftes ruimschoots overtreft. Hernieuwbare energie (wind, zon…) is vaak al goedkoper dan energie uit fossiele brandstoffen zoals petroleum en aardgas. Ook technologie zal een belangrijke rol spelen. Zo staat vandaag al de technologie op punt – ook in België – om CO2 te gebruiken als grondstof voor onder meer bouwmaterialen, chemische producten en brandstoffen. Dat beperkt de CO2-uitstoot.

De uitdagingen blijven natuurlijk enorm. Denk alleen maar aan de huizen die tegen 2050 in principe klimaatneutraal moeten zijn. Klimaatsceptici aan het roer zoals Donald Trump kunnen het tij niet meteen keren. Maar veel hangt af van hoelang ze aan het stuur blijven en hoeveel medestanders ze krijgen.

 

2. Wat doet de Europese Unie?

De EU heeft vastgelegd dat ze tegen 2030 de uitstoot van broeikasgassen met minstens 40% wil verminderen tegenover 1990. Tegen 2020 is dat 20%, tegen 2040 60% en tegen 2050 minstens 80%. Daarmee zit de EU min of meer op schema met wat het Internationaal Klimaatpanel voorstelt: rijke landen dienen hun uitstoot tegen 2050 met 80-95% te verlagen om de opwarming te beperken tot 2°C. Bovendien neemt de EU een waaier initiatieven om ontwikkelingslanden te helpen om hun klimaatbeloftes te realiseren. Dat kan de voorziene 80% met enkele procentpunten aandikken. Ten minste, dat is de afspraak.

De EU wil de 40% vermindering tegen 2030 op 3 vlakken realiseren:

  • Industrie: 43% minder uitstoot ten opzichte van 2005. Elk jaar krijgt de industrie 2,2% minder uitstootrechten.
  • Niet-industriegebonden activiteiten (huisvesting, landbouw, transport…): 30% minder uitstoot ten opzichte van 2005, waarbij elke lidstaat een specifieke doelstelling wordt opgelegd. Voor België betreft het zelfs 35%, een zeer hoge doelstelling.
  • Ondersteunende elementen zoals energie en brandstoffen

 

3. Volstaat de beloofde 100 miljard dollar per jaar voor ontwikkelingslanden?

Voor een ‘klimaatneutrale’ wereld tegen 2050 – die dus geen opwarming meer veroorzaakt  – moet de volledige economie worden omgebouwd! De klimaatbeloftes van India en China vergen elk op zich al meer dan 100 miljard dollar. China schat dat 6,5 biljoen dollar nodig zal zijn om zijn klimaatbeloftes waar te maken tegen 2030 (investeringen in hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en zo meer). De overgang naar een klimaatweerbare lagekoolstofmaatschappij zal dan ook biljoenen dollars vergen. Toch blijft de meerkost beperkt, zeker in vergelijking met de te verwachten schade. De voorziene 100 miljard dollar voor ontwikkelingslanden vormen een belangrijke hefboom, al zullen daarnaast veel hogere private investeringen nodig zijn.

 

4. Waarom wordt ontwikkelingsgeld gebruikt voor klimaatprojecten?

Critici vinden het onkies dat geld voor ontwikkelingssamenwerking aangerekend wordt als klimaatgeld. Het klopt dat een deel van het ontwikkelingsgeld gebruikt wordt om ontwikkelingslanden weerbaarder te maken tegen klimaatverandering. Dat geld wordt meegenomen bij de berekening van de 100 miljard dollar en wordt terzelfdertijd erkend als officiële ontwikkelingshulp of ODA.

Het is logisch dat bijstand aan ontwikkelingslanden in aanmerking komt als ODA. Daarnaast moeten ontwikkelingsprojecten rekening houden met klimaatverandering, zo niet gaan de resultaten ervan na enige tijd verloren. In de praktijk blijkt het dus onmogelijk om klimaatprojecten te scheiden van ontwikkelingssamenwerking. Zo helpt investeren in hernieuwbare energie ook armoede bestrijden en werk creëren.

Men kan de vraag anders stellen: kan het ontwikkelingsgeld niet verhoogd worden zodat meer projecten voor klimaatweerbaarheid in aanmerking komen? Sommige Europese landen halen 0,7% of meer van het Bruto Nationaal Inkomen, maar in België lukt dat in deze budgettair krappe tijden niet.

België beloofde 50 miljoen euro klimaatgeld per jaar voor ontwikkelingslanden, waarvan 25 miljoen euro door de federale overheid. In 2016 kwam die 25 miljoen euro volledig uit de pot ontwikkelingssamenwerking.

 

5. Waarom vrijwillige nationale klimaatbeloftes?

Sommigen vinden het klimaatakkoord zwak omdat individuele landen zelf mogen kiezen hoe ze hun uitstoot van broeikasgassen willen beperken. Men zou beter van bovenaf strakke doelstellingen opleggen. Maar dat is in de praktijk niet haalbaar: veel landen beslissen liever zelf. Het klimaatakkoord stelt wel dat landen een maximum aan inspanningen moeten nastreven. Deze worden bovendien om de 5 jaar herzien, rekening houdend met de wetenschappelijke vooruitgang.

Klimaatakkoord
Terug Planeet
Imprimer
Over hetzelfde thema - Artikel 4 /10 Het klimaatakkoord van Parijs is onomkeerbaar